Proloog Jakira 1

Nabij de achtste planeet van een stelsel met elf planeten schuift een klein ovaalvormig schip uit de hyperruimte. Aan boord flitsen vele binnenkomende gegevens over de schermen. Als de gegevensstroom afneemt, zet het vreemde schip koers naar de zesde planeet en neemt een baan om een van de manen in. Dankzij speciale camouflagetechnieken lijkt het enkele uren later op een kleine rotsblok, die om de maan draait. Gedurende verscheidene maanden scannen de scanners het stelsel en observeert al wat er in het stelsel gebeurt. Op een dag flitsen aan boord verschillende lampjes aan en langzaam verdwijnt de camouflage. Een paar seconden later zet het schip zich in beweging.

Het zweeft over de oppervlakte in de richting van een klein complex van gebouwen uit lang vervlogen tijden op de rotsvormige oppervlakte. Langzaam opent zich een opening in een van gebouwen, die boven de grond uitsteken en het kleine schip verdwijnt erin. Als het schip de bodem raakt, flitsen overal omheen het toestel lampen aan. Meer dan een drie uur blijft het schip roerloos staan, terwijl aan boord van het complex vele apparaten ingeschakeld worden. Uit het niets wordt een gedaante, die langzaam op een mens begint te lijken, gevormd. Maar meer wordt het ook niet.

Hij lijkt op een mens, maar zijn hoofd heeft een lange streep als mond, een neus heeft hij niet. Zijn oog bevindt zich op de plaats waar bij een mens de ogen zijn, maar het loopt van de enige zijde van het hoofd door naar de andere, zodat het als een lange donkere licht gebogen streep lijkt. De naakte man kijkt even met nietsziende ogen voor zich, maar dan licht zijn oog blauw op. Op hetzelfde moment wordt om zijn ‘lichaam’ een donkerblauw pak gevormd. Zodra dit proces voltooit is, lost hij op in het niets.

Maar in de hangar waar het vreemde schip geland is, wordt hij terug opgebouwd en blijft afwachtend staan. Meer dan dertig minuten staat hij roerloos voor een energiebaan uit het schip naar de grond toeschuift. Uit het licht dat uit het schip valt, stapt een vrouwelijke gedaante, met witte haren tot op haar schouders, naar beneden.

‘Hera Taxala, welkom. Ik sta tot uw dienst,’ zegt de halografische man.

‘Er moeten dringend maatregelingen genomen worden, dienaar. Er zijn indringers in mijn sector. Dit stelsel is een van hun hoofddoelen,’ zegt vrouw, die er als een vierentwintigjarige uitziet.

Het Halogram volgt zijn meesteres zonder een woord te zeggen. Maar intussen communiceert hij met de centrale eenheid van deze basis. Overal in de basis worden apparaten geactiveerd, die dadelijk hun speciale taken uitvoeren volgens oeroude programma’s. Scanners scannen het stelsel en speciale sondes verlaten het complex op de maan van de zesde planeet. Als Taxala de centrale van de basis binnenstapt lopen de eerste gegevens binnen. Maar nergens is er een spoor van de indringers op te merken. Toch voelt Taxala dat ze er zijn.

Taxala is een van de goden en godinnen die elk over een eigen sector heersen. Al deze goden en godinnen zijn meer dan een miljoen jaar oud. Ze heersen samen over meer dan dertigduizend Melkwegen.

Taxala blijft een aantal maanden in het complex, terwijl enkele van haar mensen verschillende nieuwe aangepaste programma’s invoeren. Ze wacht intussen op de komst van een oud schip, dat door haar toedoen gedurende duizenden jaren, in een nevel, gevangen zat. Aan boord van dit schip bevindt zich een identiteit die ooit haar leermeesteres was. Taxala wil deze identiteit gebruiken om haar macht en die van haar bondgenoten te vergroten.

Op een dag wordt een klein schip waargenomen, dat het kenteken van Artimis draagt. Enkele minuten later begroet Taxala haar blonde vriendin. Samen behoren ze tot een bondgenootschap van vijf goden en vier godinnen, dat samen een vierduizend Melkwegen telt.

‘Het schip dat je verwacht bevindt zich ongeveer op vijf lichtjaren van dit stelsel, Taxala. Maar volgens de peilgegevens is er maar een klein aantal leden van de oorspronkelijke bemanning in hyperslaap.’

‘Wat? Is dat zeker?’

‘De gegevens wijzen uit dat er nog acht leden bewuste denkprocessen vertonen.’

‘Vreemd. Ze moeten toch ongeveer tweehonderd bemanningsleden aan boord.’

‘Hera. Er is en grote activiteit waargenomen op de buitenste planeet.’

‘Wat?’ zeggen Artimis en Taxala in koor.

Op het centrale scherm zien ze beelden van deze planeet.

‘Dat zijn schepen, vriendin. Aan de grote te zien, kruisers,’ zegt Artimis.

‘Ze veranderen hun koers, Hera. Hun doel lijkt het schip dat u beiden verwacht.’

Even werpt Taxala een blik op Artimis, die knikt. Dan lost de blondine op in het niets.

‘Ga verder met de voorbereiding, dienaar. Ik en Artimis bekommeren ons wel om die vreemde schepen,’ zegt Taxala nog, voor ook zij verdwijnt. Beide schepen van de godinnen dematerialiseren enkele seconden later in de hangar. In de baan van de negende planeet worden ze beiden terug stoffelijk. In hun nabijheid worden twee grote gevechtsschepen langzaam zichtbaar. Terwijl het schip van Artimis in het schip met haar kenteken land, vliegt dat van Taxala naar het andere schip toe. Beide grote schepen, verlaten even later hun baan. Het ene zet koers naar de buitenste planeet, terwijl het andere op een drietal lichtjaren van het stelsel materialiseert.

Dadelijk zien ze op de schermen de vreemde kruisers, die een groter schip aanvallen. Dit schip heeft wel geactiveerde schermen, maar beantwoordt het vuur niet. Het lijkt dat de schermen op verschillende plaatsen weggevallen zijn, want ze kunnen zien dat het schip op enkele van deze plaatsen brand.

‘Die kruisers, die dragen het teken van Her Torka, Hera.’

‘Vernietig hen. Het spijt me, maar we kunnen geen overlevenden gebruiken,’ klinkt het bevel van Taxala.

Nog geen twintig minuten later zweven alleen nog wraken van kruisers in de sector. Het vreemde schip raast echter verder naar het stelsel met elf planeten. Maar het is stuurloos. Taxala stapt in een overbrenger en materialiseert aan boord van het vreemde schip. Ze doet hier een afgrijselijke ontdekking. Zo goed als alle bemanningsleden zijn dood. Alleen een achttal liggen in hyperbedden te slapen. Even kijkt Taxala op hen neer.

Uit de gegevens op de info schermen van de bedden kan ze opmaken, dat ook deze acht besmet zijn met een dodelijk virus. Als ze ooit ontwaken dan zijn ze na een paar maanden ten dode opgeschreven.

Bij het bed van een van de vrouwen blijft ze staan en concentreert zich diep.

‘Het spijt me. Dit kon ik niet voorzien. Moge Aona mij vergeven en terugkeren om ons bij te staan,’ fluistert ze hees.

‘Wat bedoelt u, Hera?’ vraagt een van haar dienaren.

‘Onze meesters Aona werd de vernietiging van onze beschaving verdacht. Ze bleek onschuldig, maar ze was verdwenen. Gedurende duizenden jaren hoopten we op haar terugkeer om haar plaats in de strijd tegen de zwarte machten weer in te nemen. Maar ze kwam niet.’

‘U bent een godin, Hera. Bent u dan niet machtig genoeg.’

‘Ja, Meron. Wij, goden, zijn machtig. Maar de dienaren van het zwarte niets zijn even machtig en om dit moment wordt hun gebied steeds groter, terwijl wij terrein verliezen.‘

‘En wat met Delos.’

‘Zoals je weet zijn velen op zoek gegaan naar Delos, het machtscentrum uit legendes. Maar niemand keerde ooit weer.’

‘Dat weet ik, Hera.’

‘Breng deze hyperbedden aan boord van mijn schip. We moeten deze mensen redden en zeker deze vrouw hier. Zij moet leven om het leven dat ze in zich draagt.’

Ongeveer acht uur later wordt het laatste hyperbed aan woord van Taxala’s schip gebracht. Een uur later vertrekken de schepen van Taxala, nadat het schip tot ontploffing gebracht werd. Aan boord van het kleine complex worden ze snel uitgeladen en aan de energievoorziening aangekoppeld. Als Taxala als laatste uit de bergruimte stapt, wordt de deur achter haar afgesloten.

‘Niemand buiten mij en Aveyana heeft hier toegang,’ zegt ze bevelend tegen de menselijke gedaante van de centrale computer.

‘Bevel begrepen, Hera.’

‘Activeer het programma met de codenaam Veron. Als een geschikte draagmoeder gevonden is, dan pas mogen de acht Veronen gewekt worden. Start daarna de behandeling tegen het Tir-f-virus, waarmee ze besmet zijn op.’

De gedaante knikt alleen maar even ter bevestiging. Diep onder de vloer start de computer dit programma, dat de mensen van Taxala gedurende de maanden dat ze wachten ontwikkelden, dadelijk op.

‘Kan u, als goddelijk wezen, dat Virus niet onschadelijk maken, Hera.’

Taxala kijkt het halogram even nadenkend aan.

‘Er zijn bepaalde grenzen aan onze krachten; Een virus dat zo diep in een levend organisme ingedrongen is, gaat mijn krachten te boven. Velen van ons denken dat we goden zijn. Maar dat zijn we echter niet. Wij zijn alleen sterfelijken die langer leven, omdat wij een Yomon dragen.’

‘Of is het de angst voor besmetting, Hera. Die u tegenhoudt om het te proberen.’

Even kijkt Taxala de mannelijke gedaante met een blik vol woede aan. Maar ze beseft dat de computer uit zijn gegevens conclusies trekt. En hij heeft gelijk. Ze zou besmet kunnen raken en dat zou haar dood zijn. Tir-f Virussen behoren tot de dodelijkste virussen die er bestaan.

‘Ook wij goden kunnen sterven. Dat moet je uit je gegevens tot kunnen opmaken.’

‘Dat klopt, Hera. Maar in de ogen van anderen staan jullie toch boven hen.’

‘Misschien, maar Aona leerde ons om iedereen als onze gelijke te beschouwen. Wij maken deel uit van de beschaving al lijken wij erboven te staan.’

Even wacht Taxala op een antwoordt of een vraag, maar de computer vraagt niets meer.

‘Het wordt tijd dat ik terugkeer naar mijn paleis,’ denkt ze.

Het halogram kijkt haar na als ze door de deur, die achter haar dichtschuift, naar buiten stapt. Ze merkt niet dat de man van gedaante verandert in een mooie bruinharige vrouw en glimlacht. Op het centrale scherm verschijnt een vreemd ijsblauw gekleurd symbool met twee naar elkaar gekeerde, licht gepooide handen. Het rechtse is half zo klein dan het linkse.

‘Geen toegang tot Delos voor onbevoegden, Taxala. Zelfs niet voor iemand die de titel van Godin aanmeet, maar niet meer is dan een mens.’

Drie uur later vertrekken de schepen van Taxala. Ze merken niet dat het complex van vorm verandert. Even later wordt het rotsblok kleiner tot en bol met een doorsnede van vijfduizend meter. Verschillende maanden later wordt een klein schip in de grote hangar geactiveerd. Het verdwijnt even later in een overbrengersveld en materialiseert in een baan om de maan. Dadelijk versnelt het en zet, volgens het programma, Veron, koers naar de binnenste planeten.

Plaats een reactie