8. Janoro

Verschillende dagen later bereiken ze een klein dorp, Forah genaamd. Ook dit dorp is door de storm geteisterd en een deel ligt in puin.

Aan de rand van het dorp maken ze de paarden aan een paal vast en lopen te voet het dorp in. Terwijl ze tussen de huizen naar het plein in het midden toelopen, zien ze verschillende gewonden, die door dorpelingen verzorgd worden. Beiden worden nagestaard als ze voorbij zijn.

Jakira verstijft even als ze het schavot in het midden van het plein ziet staan. Eromheen staan een veertigtal mensen. Op het schavot staan drie mannen. Twee ervan hebben een zwarte kap en houden een jongeman van ongeveer 19 jaar oud, die een strop om zijn nek heeft, bij zijn armen vast.

Een man, in een lang kleed, leest de beschuldiging voor.

‘Janoro, u werd betrapt bij het stelen van onze noodrantsoenen. Voor deze daad werd u schuldig bevonden en volgens onze wetten veroordeelt tot de dood door de strop.

‘Schuldig aan diefstal van eten,’ fluistert Jakira, terwijl ze de gedachten van de jongeman scant.

Snel trekt ze haar rugzak van haar schouders en geeft hem aan Sinaron. Dan stapt ze tussen de mensen naar het schavot toe en klimt er langzaam, langs de ladder, op.

Verbaasd kijken de omstanders haar aan.

‘Mensen, dit zijn zware tijden voor jullie, maar ook voor deze jongeman, die jullie met de dood willen bestraffen.’

‘In plaats van elkaar te doden, moeten jullie elkaar helpen. Want jullie zullen elkaars hulp in de komende jaren hard nodig hebben.’

‘Maar de aanwezigen zijn woedend en roepen:

‘Hij is een dief. Aan de galg met hem.’

De twee mannen met zwarte kappen laten de jongeman los en een van hen loopt op de hendel toe. Jakira draait zich snel om en concentreert zich.

Voor de verbaasde ogen van de aanwezigen loopt de man plots op de jongeman toe en neemt de lus van zijn nek. Tot ieders verbazing steekt hij zijn hoofd erdoor en gaat op het valluik staan.

‘Jakira, wat haal je nu weer uit. Als dat maar goed gaat,’ denkt Sinaron.

Dan kijkt Jakira naar de tweede gemaskerde man.

‘Jij. Haal de hendel over.’

De man kijkt haar verschrikt aan.

‘Nee, dat kan ik niet.’

‘Daareven wel en nu niet. Dus wel dieven, maar geen moordenaars,’ sist Jakira en concentreert zich opnieuw.

De man verstijft even, loopt dan naar de hendel toe en grijpt hem stevig vast. De andere man die de lus om zijn nek heeft, is uit de controle van de hypnosekrachten van Jakira bevrijd en zijn toestand dringt tot hem door. Trillend van angst trekt hij de kap van zijn hoofd en probeert dan de lus te verwijderen, maar Jakira houdt die telekinetisch op zijn plaats.

‘Deze twee wilden een moord plegen. Hebben zij volgens jullie wetten de doodstraf niet verdiend,’ klinkt de stem van Jakira.

Maar het is doodstil op het plein. Niemand zegt iets tot plots een stem weerklinkt:

‘Nee, dat is mijn man. Alstublieft, vrouwe. Laat hem leven.’

‘Wie zegt dat ik hem wilde doden, terwijl een lesje voldoende is,’ lacht Jakira, terwijl ze beide mannen vrijlaat.

Ook de andere trekt nu zijn kap af en loopt op zijn maat toe, die nog steeds op het valluik staat. Samen verwijderen ze de lus en kijken dan naar het meisje, die de boeien van de jongeman losmaakt. Dan merkt ze het teken op zijn rechter bovenarm op. Het is hetzelfde als dat op haar arm.

‘Jij ook. Wie ben jij?’ vraagt ze.

‘Janoro, een rondreizende krijger. Het spijt me van dat eten, maar door de storm verloor ik alles wat ik bezat,’ stamelt hij.

‘Janoro. Bent u ook op weg naar Jorgank.’

‘Ja, hoe.’

‘Ik ben een leerlinge van Anya, zoals jij. Mijn naam is Jakira’ antwoordt Jakira

‘Jij dus ook. Mag ik mij dan bij jullie voegen,’ zegt Janoro, maar zwijgt plots als hij de jonge vrouw ziet schrikken.

Jakira heeft gedachten van een bezorgde moeder opgevangen. Met een sprong is ze van het podium af en verdwijnt tussen de hutten.

‘Mijn naam is Sinaron. Voeg je maar bij ons, we hebben eten genoeg. Een lotgenoot is altijd welkom.’

Janoro kijkt de krijger even aan.

‘Oké, krijger. Wie is die mooie meid?’

‘Een esper zoals jij, maar pas op. Ze staat haar mannetje,’ glimlacht Sinaron.

‘Ook een esper. Dan moet ik oppassen, als ze mijn gedachten gelezen heeft. Oei, daar kan ik maar beter niet aan denken.’

Sinaron kijkt hem even vreemd aan.

‘Je bent toch geen telepaat,’ grijnst Janoro.

‘Nee, ik ben geen esper. Alleen een dienaar van Anya. Ik moet haar bijstaan en helpen.’

‘En je bent verliefd op haar geworden, zeker.’

‘Goed geraden en zij op mij. Dus met je handen van haar af of je zult wat beleven.’

‘Oké, krijger. Laat ons vrienden zijn.’

‘We zien wel. Kom, we gaan kijken in welk wespennest ze zich nu weer gestoken heeft,’ lacht Sinaron.

Intussen blijft Jakira staan en kijkt naar een ingestort gebouw. Dan knielt ze naast een vrouw, die voor haar twaalf jaar oude dochter op haar knieën zit. Haar man samen enkele anderen staan langs de andere zijde met een moedeloze blik in hun ogen. Ze beseffen dat ze hier niets meer kunnen doen. Het meisje is stervende en ademt piepend.

Dan kijkt Jakira naar de dochter. Ze werd bedolven onder een neerstortend dak en heeft verschillende ribben gebroken. Haar benen en linkerarm zijn verbrijzeld en zitten helemaal onder het bloed. Even kijkt Jakira naar de moeder en richt haar blik dan op het koortsige gelaat van het gewonde meisje.

‘Vrees niets, Geona. Over enkele ogenblikken zul je, je al veel beter voelen,’ horen de omstanders Jakira zeggen.

De moeder kijkt de jonge vrouw naast haar verbaasd aan en ziet plots dat ze een teken geeft. Bijna mechanisch staat ze recht, terwijl Jakira zich concentreert.

‘Wat!? Dat kan niet.,’ stamelt de vader, als hij plots een geelgroen licht omheen het bovenlichaam en de linker arm van het meisje ziet verschijnen.

Terwijl Jakira zich op de benen concentreert en haar genezende krachten opnieuw inzet, verdwijnt het licht om de linkerarm die er weer gezond uitziet. Het meisje ademt ook niet meer piepend, maar heeft het bewustzijn verloren.

De omstanders wijken plots achteruit, terwijl ze trillend naar het geelgroene licht staren, dat nu de beide benen van het meisje omgeeft. De tijd gaat voorbij en plots verdwijnt het licht langzaam.

Wankelend staat Jakira recht en fluistert:

‘Neola, help uw dochter. Ze is nu bewusteloos, maar ze zal leven.’

Even kijkt de vrouw haar aan

‘Bent u een godin.’

‘Nee, Neola. Een gewone mens zoals jullie.’

Neola kijkt even naar haar dochter, die weer normaal ademt en knielt dan naast het jonge meisje. Voorzichtig tast ze naar de benen van haar dochter en voelt de gezonde huid.

Dan kijkt ze naar Jakira en fluistert:

‘Dank u, vrouwe.’

Jakira wankelt tot tegen de muur van een huis en blijft er even staan, terwijl ze toekijkt hoe Neola en haar man, hun dochter, Geona in hun armen naar het beschadigde huis van de buren dragen.

Langzaam voelt Jakira haar krachten weerkeren en keert dan terug naar het plein, waar het nieuws zich al verspreid heeft.

De aanwezigen wijken uit elkaar als ze naar het schavot toestapt.

‘Breek dat ding af,’ zegt Jakira zwak. ‘Zoiets dient alleen om moordenaars en nietsontziende rovers te straffen.’

Sinaron kijkt haar even in de ogen, maar beseft dat hij haar nu niet kan helpen. Voor het schavot blijft ze staan en keert zich tot de dorpelingen.

‘Breng me bij de zwaarst gewonden, ik zal proberen hen te helpen,’ zegt ze.

Tegen de avond zakt Jakira uitgeput in elkaar. Sinaron en Janoro dragen haar met een draagberrie naar een bijna intacte hut, waar ze in slaap valt. Nadat Janoro de hut verlaten heeft, geeft Sinaron een bevel aan zijn hypsoon. Deze neemt contact op met die van Jakira en langzaam verdwijnen haar kleren. Sinaron kijkt even naar de jonge vrouw en dekt haar dan toe met een deken. Janoro, hun nieuwe lotgenoot gaat intussen voor de deur op wacht staan en merkt een jong meisje op, dat naderbij komt.

‘Mag ik binnen, krijger,’ vraagt ze.

‘Het lijkt me beter van niet, meisje. De geneester is zeer moe en moet slapen.’

‘Ik kom om haar te helpen, niet om haar raad. Ze heeft mij een paar uur geleden genezen.’

‘Ben jij dat meisje, Geona.’

‘Ja.’

‘Oké, het zal wel geen kwaad kunnen,’ zegt Janoro dan en opent de deur.

‘Sinaron, hier is iemand, die wil helpen,’ zegt hij.

Sinaron kijkt om en lacht als hij Geona herkent.

‘Kom binnen. Ik kan je hulp goed gebruiken. Maar ben je al terug op krachten,’ vraagt Sinaron, terwijl Janoro de deur weer sluit.

‘Nog niet helemaal. Maar ik voel mij sterk genoeg,’ antwoordt het meisje, terwijl ze naar het bleke gelaat van de blonde vrouw.

‘Z.zal toch niet. Hoe kan ik haar helpen,’ stamelt ze.

‘Haar naam is Jakira, meisje. Ze heeft teveel van haar krachten gevergd, maar ze zal met een goede verzorging wel beter worden,’ lacht Sinaron.

‘Wat moet ik doen?’

Even kijkt Sinaron haar nadenkend aan.

‘Blijft jij hier tot aan het avondeten, dan kom ik je aflossen.’

Het meisje knikt en gaat op een stoel zitten.

Sinaron verlaat de hut en gaat de ouders van Geona op de hoogte brengen. Twee dagen is Jakira in een diepe slaap gewikkeld en wordt dan bezweet wakker. Sinaron en Geona waakten afwisselend bij haar bed.

Geona zucht opgelucht als Jakira haar op de vierde dag met een heldere blik aankijkt. Het meisje geeft haar met een lepel een lekkere soep te eten.

Maar nog voor de kom half leeg is, zakt Jakira opnieuw neer en valt in slaap. Haar slaap is deze maal rustiger.

Als Sinaron het meisje een uur later komt aflossen is de toestand van de zieke al veel beter. De volgende dag opent Jakira de ogen en kijkt lachend naar de, in de stoel, slapende man. Ze slaat het laken opzij en richt zich op. Ze kijkt even rond, maar er is niemand aanwezig. Langzaam laat ze haar voeten op de vloer zakken en loopt op de krijger toe. Sinaron heeft het echter gemerkt en opent zijn ogen.

‘Je bent beter, zo te zien,’ lacht hij, terwijl hij rechtstaat.

‘Ja, lieveling. Ik heb mijn krachten onderschat, maar…,’ zegt Jakira.

‘Doe dat nooit meer, Jakira.’

Even neemt hij haar in zijn armen. Als ze elkaar loslaten, concentreert Jakira zich en dadelijk worden haar kleren weer gevormd. Als eerste loopt ze de naar buiten en lacht even naar Janoro.

‘Ben jij ook nog hier.’

‘Ja, Jakira. Je hebt mij geholpen. En daarbij kreeg ik ook nog eten van de dorpelingen.’

Onze drie vrienden lopen ze naar het huis van Geona’s ouders.

Twee dagen blijven ze nog in het dorp, dat al voor een groot deel hersteld is, maar dan is het tijd om verder te gaan.

Onze vrienden nemen afscheid van Geona en haar familie. Bijna heel het dorp is aanwezig als ze te paard stijgen. Janoro die geen paard heeft, gaat afwisselend bij Sinaron en Jakira te paard zitten, om de dieren te sparen.

Ondertussen een honderdtal kilometer naar het westen.

Op een smalle bos weg rijdt een jonge okerhuidige vrouw van ongeveer twintig jaar oud, te paard naar het zuiden. Ze heeft het hier niet gemakkelijk, want ook hier heeft de storm lelijk huisgehouden en vele bomen liggen over de weg, zodat ze verschillende malen eromheen moet zien te komen.

Ze is gekleed in een rode rok, die aan de voorkant open staat, zodat het kortere groene rokje dat ze eronder draagt voor een deel zichtbaar is. Haar schouders zijn door twee rode stukken stof bedekt, die in het midden door een smalle band samen gehouden worden. Ter hoogte van haar onderste rib omspant een leren riem haar lichaam. Tussen deze riem en de rode schouderstukken zijn twee stukken stof vastgemaakt, waardoor haar borsten bedekt worden. Aan haar zijde hangt een metalen zwaard, terwijl aan een band op haar rug een kruisboog draagt.

Even kijkt ze achterom en sist plots:

‘Nu is het genoeg geweest.’

Snel trekt ze haar kruisboog over haar schouder en spant hem op. Dan neemt ze een pijl, die ze in een aan haar riem bevestigde koker bewaart en legt hem voor de gespannen pees. Langzaam drijft ze haar paard van de weg en verschuilt zich tussen de bomen.

Een minuut later rijden een man en een vrouw voorbij. De krijger heeft een licht gebruinde huid en draagt zijn zwaard op zijn rechterzijde. De vrouw is groenhuidig en ziet er gevaarlijk uit. De man heeft een eenvoudige lichte tuniek aan, gemaakt uit een stof, die met metalen draden verweven werd. De kledij van de vrouw bestaat uit stukken leer, die door dunnen draden aan elkaar bevestigd zijn. Bijna heel haar lichaam is hierdoor bedekt. Om haar heupen heeft ze een brede riem, waaraan en groen lendendoek bevestigd is. Op haar rug hangt een zwaard.

Als ze voorbij zijn, springt de vrouw terug op de weg en roept:

‘Halt, wat doen jullie hier?’

De man en de vrouw houden verrast hun paarden in en keren ze om en kijken de vrouwelijke krijger verbaasd aan.

‘Eenzame reizigers overvallen, zelfs al ben je een vrouw. Met rovers kennen wij geen genade,’ sist de man en springt van zijn paard op de grond, terwijl hij zijn zwaard trekt.

‘Ro.ver. Ik ben geen rover,’ stamelt de vrouw met de kruisboog, die ze in een reflex afschoot.

De gezellin van de krijger zit niet meer op haar paard. Ook zij heeft haar zwaard getrokken en rent naar hun tegenstander toe. De man heeft intussen het rechterbeen van de vrouw gegrepen en rukt het opzij, waardoor de okerhuidige vrouw langs de andere zijde van haar paard valt.

Langzaam kruipt ze recht en wrijft over haar pijnlijke schouder. Terwijl beide anderen haar dreigend aankijken, trekt ze traag haar zwaard uit de schede.

‘Mij beledigen. Ik een rover, wacht maar,’ sist ze en valt de man onverwachts aan.

De krijger kan echter ook met zijn zwaard omgaan al snel blijkt dat beiden even goed de zwaardtechnieken beheersen. Toch krijgt de krijger de overhand en drijft de vrouw achteruit.

Zijn gezellin kijkt lachend toe, maar dan schrikt ze.

‘Dargo!!’ roept ze.

De onbekende vrouw haalde een trucje uit en het zwaard van haar gezel vliegt uit zijn hand. Het blijft trillend in de grond steken. De man zelf komt ten val. Hierbij ziet de vrouw het teken die hij op zijn rechter bovenarm draagt.

Twee handen met de palm naar elkaar toe. De jonge krijgster schrikt even en ziet plots de andere vrouw op zich toekomen. Voor die bij haar is, werpt ze haar zwaard op de grond.

Verbaasd kijkt de andere vrouw haar aan en hoort haar zeggen:

‘Stop, dit is een misverstand. Ik kan tegen een lotgenoot niet vechten.’

Ook Dargo, de krijger is verbaasd en staat op. Niet goed wetend wat de vrouw bedoeld richt hij zich tot zijn gezellin.

‘Quana, wacht even. Laat haar uitleggen.’

‘Dit zal genoeg zeggen,’ zegt de jonge krijgster en ontbloot haar rechterschouder.

Verbaasd kijken beide anderen naar het teken, dat zij ook alle beide dragen.

‘Wie ben je?;’ vraagt Quana.

‘Iljane, afkomstig van Lougan, de hoofdstad van mijn land. Een vreemde man, die ik Anya mocht noemen, leidde mij op. Een paar weken geleden stak er plots een vreselijke storm op. Twee dagen na de storm deelde hij mij mee dat ik zo snel mogelijk naar de stad Jorgank moest gaan.’

‘Anya. Heeft hij je opgeleid,’ merkt Quana op.

‘Ja, hij had eerst geen naam. Maar toen ik hem de tweede maal ontmoete zei hij dat een jonge krijgster, Jakira genaamd, voor hem een naam bedacht had. Van toen af moest ik hem Anya noemen,’ antwoordt Iljane, terwijl ze haar lange donkerblauwe haren naar achter strijkt.

‘Ik ben Dargo en dit is Quana. Ook wij zijn leerlingen van Anya en kregen van hem een verzoek om naar de stad Jorgank te komen. Volgens mij kunnen we beter samen onze weg vervolgen.’

‘Ja, Dargo. Dat lijkt me beter. Overal trekken plunderaars door het land en met drie zijn we sterker,’ stemt Quana in.

‘Die Jakira, zou die ook hetzelfde teken dragen,’ zegt Iljane nadenkend.

‘Toen we haar de laatste keer ontmoeten wel,’ lacht Dargo.

‘Ken jij haar?’

‘Ja, Iljane. Jakira, ik en Dargo zijn de laatsten die overblijven van de acht uitverkorenen van Anya.’

‘Dat weet ik, Quana. Ikzelf behoor tot een tweede groep uitverkorenen, die afzonderlijk van jullie opgeleid werden. Wij wisten dat jullie er waren, maar kregen jullie nooit te zien. We waren oorspronkelijk met zes, maar enkele werden gedood door onbekenden. Alleen ik en Janoro blijven over.’

‘Dan zijn we met vijf, vooropgesteld dat we allen levend en wel in Jorgank aankomen,’ merkt Dargo op.

‘We kunnen beter verder gaan, zo te zien naderen er opnieuw donkere wolken,’ zegt Quana plots.

Beide anderen kijken naar de lucht en merken een paar donkergrijze wolken op die over het bos trekken.

‘Je hebt gelijk, Quana. We kunnen beter niet in het bos zijn als er een nieuwe storm losbarst.’

Snel stijgen ze op hun paarden en haasten zich moeizaam verder. Maar als ze ongeveer een kilometer verder zijn begint het plots hevig te regenen en ze moeten van hun paarden om niet te vallen. Na een paar minuten roept Quana plots:

‘Daar. We zijn er. Ik denk dat we het einde van het bos bereikt hebben.’

Dargo kijkt snel in de richting dat de vrouw aanwijst en knikt:

‘Ja, nog even en we zijn hieruit en dan nog..’

Een bliksemschicht, die dadelijk door een hevige donderslag gevolgd wordt, onderbreekt hem.

‘Kom, we moeten hier uit,’ dringt Iljane aan en gaat voorop.

Terwijl de bliksem op verschillende plaatsen in slaat bereiken ze toch de rand van het bos. De paarden kunnen ze met moeite houden, hun ogen zijn opengesperd van angst. Quana stijgt op en roept:

‘Snel te paard. Dan zijn we hier sne……’

Maar een bliksemschicht, die op een paar meter van haar inslaat, doet haar verstommen. Een keiharde donderslag volgt vlak daarna. Het paard van Quana steigert en voor de krijgster kan reageren, rent het in paniek weg. Ze slaagt er niet in om het paard te kalmeren en plots verliest ze het evenwicht en rolt over de grond. Bewusteloos blijft ze liggen.

Dargo en Iljane volgen haar dadelijk, maar rijden voorbij zonder dat ze haar in de dichte regen zien liggen.

Plots houdt het onweer op en de regen vermindert. Dargo en Iljane volgen de sporen van Quana’s paard, die duidelijk in de modder te zien, maar raken toch het spoor bijster.

‘Het was niet zo erg als de vorige keer,’ merkt Iljane op.

Dargo antwoordt echter niet. Hij is met zijn gedachten bij Quana, die hij al van kindsbeen kent. Plots hoort hij een paard hinniken en kijkt op. Beiden zien Quana’s paard op zich toekomen, maar van de jonge vrouw vinden ze geen enkel spoor.

‘We moeten haar vinden,’ merkt Dargo op.

Dan rijden beiden terug naar de rand van het bos en willen vanaf dat punt hun zoektocht naar Quana aanvatten.

Quana is intussen bij bewustzijn gekomen en veegt even haar natte rode haren uit haar gezicht. Dan merkt ze het bloed op haar hand op en tast naar haar hoofd dat pijn doet. Met moeite staat ze recht en wankelt tot tegen een schuin hangende boom.

Even kijkt ze om zich heen, maar vindt geen enkel herkenningspunt meer. De regen heeft alle sporen uitgewist. Dan kijkt ze naar de zon die weer over het land schijnt en voelt haar warme stralen op haar natte huid en kleren.

Langzaam zet ze zich in beweging en gaat te voet verder in de richting van het zuiden. Hierbij verwijdert ze zich onbewust verder van haar twee vrienden. Het paard rende naar het oosten toe. Twee uur na haar vertrek bereiken Dargo en Iljane de plaats waar Quana gelegen heeft en zien haar spoor. Dadelijk volgen ze het.

Quana heeft intussen een kleine bron bereikt. Voorzichtig daalt ze af, omdat ze een klein kamp opgemerkte. Als ze het kamp binnen stapt, wordt ze plots door zestien soldaten omsingeld.

‘Aha, een jonge gevaarlijke amazone en nog gewapend ook. Alleen ziet ze er niet al te fit uit,’ lacht een soldaat.

Snel trekt ze haar zwaard. Maar ze is nog te zwak.

‘Laat je zwaard vallen, meisje. Voor je jezelf eraan verwond.

‘Wie zijn jullie?’ stamelt Quana. En voelt zich nog zwakker worden

‘Ik ben Gerak, de Seran (Kapitein) van deze groep. Wij zijn in dienst van Koning Umoen. Jij bent onze nieuwste aanwinst.’

Voor ze het weet krijgt ze een harde klap tegen haar hoofd en even later ligt ze al aan handen en voeten vast gebonden op de grond.

‘Jullie zes brengen haar naar de burcht en zie dat ze ongedeerd aankomt. Ze is voor het spel bestemd,’ beveelt de Seran.

‘In orde, Gerak,’ zegt de sergeant, terwijl hij met zijn vuist tegen zijn borst slaat, ten teken van groet.

Dan binden twee soldaten de gevangen aan een stok vast en de zes soldaten begeven zich op weg.

‘Kom, Wij gaan in het dorp onze dorst lessen,’ grijnst de Seran.

Intussen hangt Quana aan haar handen en voeten gebonden aan een stok, die twee soldaten tussen hen in dragen. Quana komt langzaam bij bewustzijn, maar kan niet loskomen, ze is nog te zwak.

‘Dargo, help me.’ roept ze met haar gedachten.

Maar ze is alleen. De groep bereikt tegen de avond een grote burcht en Quana wordt, nadat haar kleren uitgetrokken zijn, in een cel met vier andere jonge vrouwen opgesloten.

In een hoek zittend denk het meisje aan Dargo:

‘Dargo, waarom antwoordt je niet?’

Maar ze krijgt nog steeds geen antwoordt.

Dargo heeft intussen haar zwak telepathisch bericht ontvangen maar weet niet goed in welke richting hij moet zoeken. Bij de tweede boodschap ziet hij een beeld van een machtige burcht, maar hij heeft die nog nooit gezien.

Moeizaam zoeken ze verder en bereiken, terwijl de avond langzaam valt, de bron waar Quana gevangen genomen werd. Dargo loopt op het water toe en onderzoekt de sporen in het zand.

Plots ziet hij twee krijgers met getrokken zwaarden naderen. Langzaam trekt hij het zijne en sist hen toe:

‘Willen jullie van mijn zwaa… Hee, Sinaron. Jij hier?’

Iljane kijkt haar nieuwe vriend verbaasd aan.

‘Dat is Janoro. Hoe komt hij hier?’ vraagt ze, terwijl de twee mannen hun zwaarden in de schede steken.

‘Hai, Iljane. Zijn jullie ook op weg naar het zuiden. Dit is Sinaron,’ antwoordt Janoro, terwijl Dargo knikt.

Sinaron, deze mooie meid is Iljane,’ glimlacht Dargo en krijgt een kwade blik van de jonge vrouw.

Dan kijkt hij Sinaron en zijn vriend aan.

‘Heeft Anya jullie ook naar Jorgank gestuurd. Is Jakira niet bij jullie?’ vraagt hij.

‘Ja, Dargo. Maar ze is naar dat dorp gegaan om voorraden in te doen. Wij hebben met haar hier afgesproken. Ze zal over een uur wel terug zijn.’

‘Hebben jullie Quana gezien, Ze verdween tijdens de storm.’

‘Quana, was zij bij jullie?’

‘Ja, Sinaron. We vonden haar paard, waarna we haar spoor tot hier volgden’ merkt Iljane op.

‘Ze moet hier geweest zijn,’ merkt Dargo op.

‘Het zou kunnen, Sinaron. Een paar minuten voor de soldaten vertrokken, zag ik een gedaante van op die hoogte daar, naar de bron toestappen. Ik dacht toen dat het een soldaat was, die op uitkijk stond. Misschien was dat hun vriendin.’

‘Als je gelijk hebt, Janoro. Dan moeten die soldaten haar mee genomen hebben,’ veronderstelt Sinaron.

‘Dan moeten we ons haasten. Misschien kunnen we hen snel inhalen.’

‘Dargo, de soldaten gingen in twee groepen weg, maar we weten niet welke groep onze vriendin bij zich heeft,’ merkt Janoro op.

‘Ik wel. Bij het spoor van de zes zijn er twee die dieper doordrukken. Zij moeten Quana bij zich dragen,’ grijnst Dargo, terwijl hij naar het westen wijst.

‘Dan zijn ze op weg naar de burcht van Koning Umoen, de wrede. Vroeger was dat een burcht van recht en orde, maar nu… Ja, dat kan niet anders. Quana is een krijger, dus zal ze moeten deelnemen van hun spelletje, dat zij de jacht noemen. De meeste deelnemers vinden er de dood, maar de overlevenden mogen zich bij hun rangen voegen,’ legt Sinaron uit.

‘Dan moeten we haar dadelijk gaan bevrijden,’ dringt Dargo aan.

‘Dat kan morgen nog. De jacht is altijd de dag na een volle maan. En dat is over drie dagen,’ merkt Sinaron op.

‘Ben je daar zeker van.’

‘Ja, Dargo. Tot zolang zal ze moeten trainen.’

‘Hoe weet je dat allemaal, Sinaron?’ vraagt Iljane.

‘O, nog voor ik Jakira ontmoette, was ik in deze streken op weg met een opdracht. Hierbij vond ik langs de kant van de weg een uitgeputte jonge krijger. Hij was aan de jacht ontsnapt. Deze man vertelde wat er gebeurd was, terwijl ik hem naar een volgend dorp bracht. In dat dorp was juist een soort wedstrijd aan de gang, maar dan werden ze door rovers aangevallen. Tijdens dat gevecht ontmoette ik Jakira voor het eerst en we werden later verliefd op elkaar. Zo belanden we uiteindelijk hier,’ vertelt Sinaron.

‘In orde, jongens. Laat ons gaan slapen, dan kunnen we morgen heel vroeg vertrekken,’ zegt Dargo.

‘Wie neemt de eerste wacht?’

‘Ik! En wie moet ik daarna wekken?’ zegt Iljane snel.

‘Ik doe dat wel. Wek me over twee uur. Ik zal Janoro na mijn beurt wel wekken’ lacht Sinaron.

‘Dus ik neem de laatste,’ merkt Dargo op.

‘Dat kon moeilijk anders, wij hebben onze beurt al,’ lacht Iljane.

Een paar minuten liggen de drie jongemannen op de grond tussen de bomen.

Iljane kijkt even naar hen gaat dan met getrokken zwaard op een omgevallen boom zitten. Haar gedachten peilen de omgeving.

Jakira heeft een paar uur daarvoor het dorp bereikt en stapt naar binnen, nadat ze haar paard bij de andere paarden vastgemaakt heeft. Als ze het marktplein opstapt, merkt ze echter enkele soldaten op. Onder hen, twee bekenden.

‘Genak en Mogon,’ mompelt ze.

Genak, de leider van het groepje dat haar een aantal maanden geleden bijna doodde, is nu de Seran van een tiental soldaten die in dienst zijn van een machtige burchtHera.

Ook zij hebben Jakira opgemerkt en schrikken even.

‘Dat kan toch niet. Jij had haar toch gedood, met je mes,’ stamelt Genak.

‘J.ja. I.iik dacht het toch. Misschien is ze het niet, maar iemand die veel op haar lijkt,’ stottert Mogon.

‘Kom, we halen de anderen. We wachten haar buiten het dorp op. Als ze het toch is, moeten we zeker zijn, dat ze deze maal dood is,’ zegt Genak en Mogon volgt hem.

Geen van beiden ziet dat Jakira hen op afstand volgt, terwijl ze hun gedachten peilt.

‘Die Genak. Dat is vreemd. Ik scan vreemde impulsen. Het lijkt wel. Ik snap er niets van. Ik moet het Anya eens vragen, als ik die nog eens zie,’ denkt ze verbaasd.

Op dat moment ziet ze de twee in een soort herberg binnenstappen. Ze wil hen volgen, maar wacht toch even om zeker te zijn. Na een paar minuten komen drie soldaten, die hetzelfde uniform dragen als Genak en Mogon naar buiten. Zij verlaten het dorp langs het noordwesten.

Even denkt Jakira na en lacht:

‘Die gaan de weg in het oog houden. Dit dorp heeft maar twee toegangswegen, Vermoedelijk zullen Genak en de anderen straks aan de andere weg mij opwachten. Eerst die drie even onder handen nemen,’ denkt ze.

Dan volgt ze hen het dorp uit en ziet hen aan de kant van de weg post vatten. Onopgemerkt sluipt ze hen voorbij en keert dan terug naar de weg. Fluitend loopt ze dan naar het dorp toe, alsof ze van de andere zijde komt.

De drie kijken verbaasd om, terwijl Jakira naderbij komt.

‘He, zou ze dat zijn.’

‘Het lijkt me onwaarschijnlijk, ze komt van de verkeerde kant, of zou ze..’

‘Ja, ze voldoet aan de beschrijving, die Genak ons gegeven heeft,’ merkt een andere op.

‘Kom, we grijpen haar. Hé, zou ze weten dat we haar hier opwachten,’ fluistert een van hen als de jonge vrouw blijft staan.

‘Mijn naam is Jakira. Als ik het niet mis heb zoeken jullie mij,’ horen ze haar zeggen.

Even kijken de drie elkaar aan en staan dan op.

‘Kom, we grijpen haar zelf,’ lacht een van hen.

Als de soldaten de weg opkomen, verspreiden ze zich.

‘Jullie willen het toch niet alleen proberen,’ lacht Jakira.

‘Waarom niet. Wat ga jij tegen ons drie ondernemen, vrouw,’ grijnst de middelste.

‘Dit!!!’ hoort hij nog, voor haar voet hem midden in zijn gezicht raakt.

Kreunend van de pijn wankelt hij achteruit.

De twee anderen zijn voorzichtiger en trekken hun zwaard. Jakira duikt echter naar de grond en haar voet treft een van de twee tegen zijn been. Doorheen de met metaal verweven stof heen, voelt hij de klap en valt op de grond. Haar derde tegenstander heeft minder geluk en voor deze het beseft, stuikt hij bewusteloos op de harde grond. Zijn maat probeert intussen recht te staan, maar zijn been lijkt wel gebroken.

Jakira springt snel op hem toe en haar slag treft hem in de nek. De soldaat voelt plots geen pijn meer als hij het bewustzijn verliest en langzaam opzij zakt. De man die ze in het gelaat stampte, heeft zich intussen herpakt en probeert weg te komen.

De blonde vrouw volgt de soldaat tussen de bomen en haalt hem snel in. Hij draait zich snel om en haalt uit met zijn zwaard. Jakira springt snel terug en rolt tot tegen een boom. De man maakt de fout om haar te volgen. Als hij zijn zwaard naar de blonde vrouw stoot, maakt deze een koprol en het zwaard boort zich in de boomstam. Hij probeert het nog los te rukken. Maar Jakira richt zich achter hem op en hij voelt twee klappen in zijn nek, voor hij naar het land der dromen verhuist.

Snel bindt ze de mannen vast met een touw en dan haast Jakira zich terug naar het dorp.

Ze gaat op het terras van een herberg zitten en bestelt iets te drinken. Genietend van de middag zon blijft ze er een uurtje en staat dan plots op. Snel koopt ze nog een paar etenswaren bij de kraampjes op de markt en gaat dan naar haar paard. De andere paarden zijn weg. Ze bergt alles in haar tas, die achter het zadel hangt en stijgt op.

De Seran en zes soldaten zitten intussen nog steeds verscholen langs de weg, waarlangs Jakira het dorp inkwam. Ze zitten hier nu ongeveer twee uur ongeduldig te wachten. Tot plots

‘Seran, ik denk dat ze er aankomt. Ja, het is een meid te paard.’

Jakira nadert de plaats waar de Seran en zijn soldaten wachten. De Seran en zijn twee vrienden van vroeger springen te voorschijn, gevolgd door de vier anderen.

Jakira’s paard steigert en het meisje valt eraf. Langzaam staat ze recht en kijkt de soldaten aan.

‘Herken je ons nog, meid. Deze maal zal een jonge gek je niet komen helpen. Je bent helemaal alleen,’ lacht een van de drie.

De Seran kijkt hem met een strenge blik aan en zegt dan:

‘Kom Jakira. Als je lief voor ons bent, laten we misschien leven.’

‘Denk je dat jullie het zo gemakkelijk zullen hebben, Genak. Ik ben niet meer dat meisje van toen.’

‘Ik ook niet meer. Ik ben nu een meester zwaardvechter, in dienst van Umoen, de koning.’

‘Umoen, wie…,’ vraagt Jakira.

Genak geeft twee van zijn mannen een teken en zij grijpen Jakira vast, maar Jakira verdedigt zich en er klinken twee klappen. Beide soldaten vallen bewusteloos op de grond voor haar voeten.

‘Nog een paar, jongens. Langs de andere kant van het dorp liggen er ook nog drie van jullie als worsten gebonden,’ lacht ze.

De Seran kijkt haar even aan en beseft dat ze daareven niet opschepte. Even blijft hij verstard staan, alsof hij diep nadenkt.

‘De jacht, we moeten haar levend vatten. Maar als het niet anders kan, dan dood,’ sist hij dan.

‘Ze moest toch ged…,’ vraagt Jokro.

‘Niet meer. Ze moet deelnemen aan de jacht,’ zegt Genak met trillende stem.

Samen met zijn vier maten trekt hij zijn zwaard en stapt dreigend naderbij. Jakira trekt zich echter niet terug, maar springt op hen toe. Mogon en een andere soldaat worden door enkele snelle klappen uitgeschakeld. Ze voelt vreemde krachten in haar omgeving, waardoor haar concentratie verstoord wordt. Voor ze zich kan herpakken haalt Genak uit en de platte kant van zijn zwaard raakt haar hard tegen het hoofd.

Wankelend zakt ze in elkaar en blijft roerloos liggen

Een van de overblijvende soldaten buigt zich over Jakira.

‘Een lekkere meid, Seran.’

‘Laat haar, Jokro. Ik heb iets beters voor haar, we nemen haar mee naar de burcht. Ze vecht goed,’ zegt Genak bevelend.

‘Wat!? Ik dacht dat we haa,’ roept een van zijn vrienden uit.

‘Nu niet. Ze moet aan de jacht deelnemen. Jokro, ga die drie idioten aan de andere zijde van het dorp bevrijden en stuur hen in de burcht naar mij toe.’

‘In orde Seran,’ antwoordt Jokro en begeeft zich op weg.

Vele uren later komt Jakira bij en merkt dat ze op de grond ligt. Achter haar is een stenen muur. Vier soldaten komen plots dichter bij. Ze herkent Genak, Jokro en Mogon. De vierde kent ze niet. Genak snijdt haar boeien los en Jokro en Mogon trekken haar rechtop.

Ze voelt nog steeds de vreemde krachten, die haar lijken te verzwakken. Alleen weet ze niet goed wat het is. Genak geeft een teken en de twee sleuren Jakira mee doorheen verschillende gangen en dalen dan een trap af. Even later houden ze halt voor een deur.

‘Kleed haar uit,’ beveelt Genak, terwijl Jakira voelt dat de verlammende krachten nog steeds toenemen.

‘Het lijkt, Ja. Het komt van Genak. Hoe??? Is hij een esper,’ denkt ze, terwijl ze zich niet meer kan verzetten.

Mogon laat haar los en scheurt haar kleren van haar lichaam.

Plaats een reactie