Er nadert een ruiter in volle galop. Als deze de wagens opmerkt, houdt hij zijn paard in. Luron springt van de wagen en herkent de krijger.
‘Sinaron. Wat doe jij hier?’
‘Wat is er gebeurd, Luron?’, zegt de krijger, terwijl hij even een blik werp op de dode Tinron.
Nadat Jakira’s vader hem op de hoogte gebracht heeft, klimt de jongeman in de wagen.
‘Breng verband en heet water,’ zegt hij.
Nikita kijkt hem even aan en verlaat dan de wagen.
Als ze een paar minuten later met het gevraagde terugkeert, heeft Sinaron de dolk al verwijderd. Nikita ziet dat hij een vreemd flesje in zijn zak wegsteekt. Sinaron merkt haar vragende blik op en lacht:
‘Dit flesje bevat een middel om wonden te ontsmetten. Was haar en leg een verband aan,’ zegt de jongeman.
Terwijl Nikita op haar dochter toe kruipt, richt Sinaron zich op en verlaat even later de wagen.
‘Oeron, jij rijdt naar Kranjon terug, om de ouders van deze jongeman op de hoogte te brengen,’ zegt Luron op dat moment.
Terwijl zijn dorpsgenoot op een paard stijgt, keert Luron zich tot Sinaron:
‘Ik dank u, Hera, voor uw hulp. Hoe maakt mijn dochter het?’
‘De dolk heb ik verwijderd, maar het scheelde niet veel. Iets hoger en ze had niet meer geleefd. Haar toestand is echter zeer ernstig.’
‘Dan moeten ze zo snel mogelijk naar het dorp. De dokteres kan haar misschien helpen.’
‘Dat lijkt me het beste, maar rijdt zeer voorzichtig. Een nieuwe bloeding zou haar dood kunnen betekenen,’ merkt Sinaron op.
Luron kijkt hem verschrikt aan.
‘Is het zo.’
‘Ja, ga naar haar toe. Ik ga eens op onderzoek uit,’ zegt Sinaron en loopt op zijn paard toe.
Als hij zijn paard wendt ziet hij nog juist Oeron wegrijden in de richting van Kranjon.
‘Waar is het gebeurd?’, vraagt hij aan de vrouw van Oeron.
De vrouw wijst naar het oosten.
‘Ongeveer driehonderd meter, achter die bomen daar,’ zegt ze.
Sinaron knikt tot afscheid en geeft zijn paard een tik met zijn hiel. Het dier zet zich dadelijk in beweging en even later verlaat hij het kamp, terwijl de aanwezigen beginnen op te breken. Een paar minuten later bereikt Sinaron de plaats van het gevecht en zoekt naar sporen.
Intussen vertrekt de groep en gaat op weg naar Naïkon, hun dorp, dat ze een anderhalve dag later bereiken.
Terwijl de dorpsdokteres het meisje behandelt, neemt Luron zijn wenende vrouw in zijn armen. De dokteres verwijdert het verband en legt geneeskrachtige kruiden op wonde, waarna hij haar opnieuw verbind. Nadat Luron zijn familie op de hoogte gebracht heeft van het gebeurde, verzamelt zijn zoon enkele jongemannen. Terwijl zijn ouders toekijken, rijdt de groep het dorp uit. Maar een paar uur later merken ze Sinaron op, die op hen toe rijdt. Ze trekken hun wapens, maar de krijger zegt:
‘Wacht, ik kom in vrede. Waarheen gaat de reis?’
Wij zijn op weg om de drie mannen, die mijn zuster overvallen hebben op te sporen.”
‘Komen jullie uit Naïkon.
‘J.ja,’ antwoordt Junzo aarzelend.
‘Ik ben Sinaron… Hoe is het met Jakira.’
‘Slecht, man. Wie ben j.. Toch niet, die krijger waarvan mijn vader sprak.’
‘Goed geraden.’
‘Dus jij hebt mijn zus verzorgd. Ik dank u.’
‘Laat maar, dat behoorde tot mijn taak.’
‘Ik ben Junzo, haar broer. Je taak????’
‘Ja, ik moet van mijn meester Jakira helpen en beschermen.’
‘Je meester?’
‘Dat kan ik nu niet uitleggen.’
‘In orde, dat kan later. Laat ons voortmaken, anders ontkomen ze nog.’
‘Verloren moeite, Junzo. Ik heb naar sporen gezocht en gevonden. Maar het bleken ervaren krijgers te zijn. Na een tijdje kon ik hun sporen niet meer vinden. Ik heb er geen idee van wie ze waren en waar ze gebleven zijn. Dus keerde ik maar terug en ben nu op weg naar Naïkon.’
Junzo kijkt hem even aan en vraagt:
‘En als we met zijn allen gingen zoeken.’
‘Dat zou niet veel helpen. Ik heb veel ervaring met spoorzoeken, maar kon niets meer vinden. Zelfs als het ons toch lukte, dan waren we nog geen stap verder. Alleen Jakira kan hen herkennen. Laat ons terugkeren naar Naïkon.’
‘In orde, Sinaron. Laat ons gaan,’ stemt Junzo in en keert zijn paard.
Zes dagen later komt Oeron terug van Kranjon. Hij heeft de ouders van Tinron en enkele andere dorpelingen bij zich.
‘Ik ben Saro, de vader van Tinron en dit is mijn vrouw Olan. Uw dorpsgenoot heeft ons op de hoogte gebracht,’ stelt een van hen zich voor.
De vader van Jakira knikt hen toe.
‘Mijn naam is Luron, Jakira is mijn dochter. Laat mij u naar uw zoon brengen.’
Saro en Olan volgen Luron, terwijl hun dorpsgenoten bij de wagen blijven. Even kijkt Saro naar zijn zoon, terwijl Olan het doek van het hoofd van de dode trekt. Dan barst ze in huilen uit. Saro balt zijn vuisten van woede en staart machteloos voor zich uit.
‘Weet iemand wat er gebeurd is?’, vraagt hij hees.
‘Niet met zekerheid, maar we vermoeden dat drie mannen Jakira aanvielen en Tinron kwam haar ter hulp. De drie mannen waren echter ervaren krijgers. Door de komst van Tinron moeten ze in paniek gereageerd hebben. Ze staken mijn dochter en Tinron neer met een mes,’ legt Luron uit.
De moeder van Tinron kijkt plots op en wist de tranen van haar gezicht. Even kijkt ze naar haar man en dan valt haar blik op Jakira’s vader.
‘Mogen wij uw dochter zien,’ vraagt ze.
‘Zeker, maar ze is zwaar ziek. Volg me,’ antwoordt Luron.
Beide Kranjonen volgen hem naar de hut
De moeder van Tinron knielt naast Jakira, die nog steeds tussen leven en dood zweeft. Even raakt ze de wang van het meisje aan en schrikt. De huid is zo koud als de dood. Op hetzelfde moment ziet Olan afschuwelijke beelden van geweld en dood. Verschrikt laat ze de hand van het meisje los en staart naar het gewonde meisje. Even beweegt Jakira’s hoofd en kijkt de vreemde vrouw even aan. Maar dan verliest ze terug het bewustzijn.
‘Wat was dat? Wat een afschuwelijke beelden,’ fluistert de moeder van Tinron.
‘Wat zeg je?’, vraagt haar man, maar Olan schudt haar hoofd en staat terug recht.
‘Moge de goden uw dochter bijstaan en haar het leven terug schenken. Dan is onze zoon niet voor niets gestorven,’ zegt Olan.
Langzaam verlaten ze het huis en worden door Nikita, de moeder van Jakira opgewacht.
Als jullie willen kunnen jullie met ons eten.
‘Dank u, vrouw Nikita, met alle plezier,’ antwoordt Saro.
Die avond komt Sinaron, samen met Junzo en zijn groep aan in het dorp.
‘Sinaron verloor hun spoor. Verder zoeken had geen zin. Daarom besloten we terug te keren’, zegt Junzo, en kijkt even naar de Kranjonen.
‘Die moordenaars zullen ooit wel hun straf krijgen,’ zegt de moeder van Tinron.
‘Ik hoop het, maar Jakira is de enige die hen kan herkennen. Als zij.,’ zegt Saro, maar zijn vrouw duwt tegen zijn ellenboog, om hem te doen zwijgen.
Maar Nikita weet wat hij wil zeggen en staat huilend recht. Ze haast zich haar hun huis.
De volgende dag verlaten de Kranjonen het dorp en keren terug naar hun woonplaats. Aan de rand van hun dorp wordt Tinron door de familie begraven
Jakira weet hier echter niets van, zij ligt drie weken te zweven tussen leven en dood. Haar toestand verslechterd met de dag. De dorpsdokter weet niet wat te doen.
Tien dagen geleden is het meisje voor de laatste maal bij bewustzijn geweest. Iedereen weet nu ongeveer wat er gebeurt is, alleen weten ze nog niet wie de daders geweest zijn. Sinaron zondert zich af en neemt contact op met het complex. Maar het lijkt wel alsof niemand hem hoort. Woedend schakelt hij de armbandzender uit en keert met een snelle pas terug naar het dorp. Aan de rand blijft hij staan. Hij beseft dat hij op Jakira verliefd is.
Intussen onderzoekt de dokteres het meisje nog een maal en beseft dat haar kennis niet voldoet om het meisje te genezen. Zij kan alleen haar pijnen verzachten, al denkt ze niet dat Jakira die nog voelt.
Als zij de hut verlaat, staat Sinaron voor hem.
‘Mag ik haar even zien.’
‘Heel even, jongeman. Maar ze kan je niet herkennen.’
‘Toch wil ik haar even zien, dokter.’
Even later zit Sinaron naast het blonde meisje en kijkt naar haar gezicht. Ze is zo bleek en ademt schokkend.
Plots staat Sinaron op en verlaat de hut. Met lange passen haast hij zich naar zijn paard en een paar minuten later verlaat hij het dorp. Zijn doel ligt in het zuiden. Maar als hij nog een laatste maal omkijkt naar het huis van Jakira’s ouders schrikt hij. Hij voelt dat er iets is. Jakira’s vader loopt naar het huis toe. Haar broer volgt hem op de voet. Unka haar zuster blijft staan en kijkt in zijn richting. Even ziet hij een vreemd licht uit de vensters van het huis komen. Snel rijdt hij terug naar het dorp en stijgt af.
‘Wat is er gebeurd, Unka?’, vraagt hij.
Het meisje wendt haar blik en fluistert:
‘Er is een vreemde vrouw bij Jakira.’
‘Kom, volg me,’ zegt Sinaron.
Dan loopt hij, door Unka gevolgd, naar Lurons huis toe. Maar als hij binnenstapt, blijkt Jakira verdwenen te zijn. Haar moeder zit naast het bed biddend op de vloer.
‘Wat is.’
‘Die vrouw… Z..zij nam mijn dochter mee,’ fluistert Nikita, terwijl de tranen uit haar ogen lopen.
Sinaron kijkt even om zich heen en verlaat dan de hut. Unka kijkt hem na.
‘Zou hij er meer van weten,’ denkt ze en volgt hem.
Aan de rand van het dorp ziet zij hem praten, terwijl hij zijn arm ter hoogte van zijn kin houdt. Met een ruk laat hij plots zijn arm zakken.
‘Hij lijkt wel kwaad,’ denkt Unka, maar merkt dan dat hij haar opgemerkt heeft.
Ze ziet hem plots glimlachen en hij loopt op haar toe.
‘Je zus komt wel weer terug,’ zegt hij.
‘Weet jij er meer van?’, vraagt Unka.
Sinaron kijkt haar nog steeds lachend aan en loopt dan terug naar zijn paard. Ze volgt hem op enige afstand en merkt dat hij het bruine dier naar de stallen brengt.
Jakira is intussen, samen met de vrouw in het complex op de maan van de zesde planeet gematerialiseerd. De vrouw laat het blauwe veld, waarin Jakira zweeft zakken tot ze vlak boven de tafel hangt. Dan schakelt hij het veld langzaam uit, waardoor Jakira’s lichaam langzaam op de tafel zakt. Dan schuift een apparaat naderbij en glijdt op een hoogte van 30 centimeter over het lichaam van de gewonde. Plots verdwijnt het verband om Jakira’s lichaam in het niets. Dan activeert ze de machine een blauwe band van ongeveer tien centimeter breed omheen het lichaam van Jakira. Deze glijdt van haar voeten naar haar hoofd toe. Als de band de plaats van de wonde nadert, licht hij op en gaat zeer traag verder.
Al na een paar seconden begint de wonde te genezen en na een minuut of twee is er volledig niets meer van te zien. Het blauwe licht schuift dan verder omhoog tot voorbij haar hoofd en schakelt zichzelf dan uit. Langzaam schuift het toestel dan weer op zijn plaats in de hoek van het vertrek. De vreemde gedaante van de vrouw staat nog steeds naar de muur te staren en als Jakira ongeveer een uur later haar ogen opent, staat hij er nog steeds.
‘Waar ben ik?’, stamelt zij verschrikt, terwijl ze naar de vreemde omgeving kijkt.
De vrouw opent haar ogen en kijkt haar aan.
‘Veilig. Jakira.’
‘Veilig, maar waa. Hee,’ fluistert Jakira en merkt dat ze alleen een slipje en een lendendoek aan heeft.
Terwijl ze haar borsten met haar linkerarm probeert te bedekken, duwt ze zich met haar rechter recht op. De vrouw kijkt haar aan.
‘Dat is niet nodig, Jakira. Mijn matrix wordt kunstmatig opgebouwd. Ik ben geen lichamelijk wezen. Ik wordt ook een halogram genoemd’
‘Je matrix. Wat.’
Deze gedaante is niet echt, Jakira. Ze wordt alleen maar gevormd om levende wezens met een vertrouwd uiterlijk tegemoet te treden.”
‘Hoe zie je er dan echt uit.’
‘Als een reeks getallen en symbolen in een computer.’
‘Een computer. Wat is dat voor iets?’
‘Dat is iets voor later. Tijdens je opleiding zal veel duidelijk worden. Nu is daar nog geen tijd voor.’
‘Waar ben ik hier?’, vraagt Jakira.
‘In het complex Tara-2381.’
Jakira kijkt hem niet begrijpend aan, maar de vrouw reageert niet. Dus laat ze zich van de tafel zakken en kijkt om zich heen. Overal ziet ze vreemde apparaten, waarvan ze niet weet wat het is. Voor het eerst ziet ze een beeldscherm waarop getallen en beelden van een gang afgebeeld worden.
‘Dit heb ik nog gezien. In een droom of zo.’
‘Dat was geen droom, Jakira. Het is niet de eerste keer dat je hier bent.’
‘Wat… ben ik hier nog geweest?’
‘Volgens mijn gegevens is dit de vijfde keer. Alleen ben je er deze keer volledig van bewust,’ antwoordt de tempelmeesteres.
Even kijkt ze naar hem, maar dan valt haar blik op een van de schermen. Het scherm vertoont beelden van een groot gevaarte, dat op een zestal poten staat.
‘Wat is dat?’, vraagt ze, maar de vrouw antwoordt niet.
Zij kijkt alleen voor zich uit en is plots verdwenen.
‘Nu nog beter. In plaats van te antwoorden verdwijnt zij ook nog,’ fluistert ze kwaad.
Opnieuw kijkt ze om zich heen, maar ze kan niets vinden dat ze herkent. Alles is hier vreemd en onbekend. Dan valt haar blik op de deur. Langzaam loopt ze er naar toe en probeert iets te vinden om ze te openen, maar er is nergens iets. Maar als ze er dichter naar toe loopt schuift de deur plots open. Even kijkt ze verbaasd naar.
‘Dat gaat vanzelf. Alsof ze door een spook geopend wordt.’
Voorzichtig loopt ze naar buiten en staat plots in een groot vertrek, dat de vorm heeft van een Pentagon, met meerdere deuren. Naast elke deur staat een op een mens lijkend wezen, maar hun gezicht heeft allen een blauwkleurige lijn ter hoogte van de ogen. In het midden staan enkele van die vreemde apparaten. Ze loopt erheen, terwijl ze naar de vreemde wezens kijkt, maar ze reageren niet. Dan schrikt ze op de beeldschermen zijn andere jonge mensen te zien. Twee meisjes zijn aan het vechten met elkaar. Ze hebben allebei een groene kledij aan. Maar Jakira glimlacht als ze merkt dat ze alleen maar aan het trainen zijn. Een jonge man staat toe te kijken. Dan ziet ze op een ander scherm een voorwerp in de lucht zweven, terwijl een jonge man er geconcentreerd naar lijkt te kijken.
‘Wauw, wat een mooie meid hebben we hier,’ hoort ze een stem achter haar plots zeggen.
Verschrikt draait Jakira zich om en ziet een jongeman en een groenhuidig meisje, met vuurrode haren, staan. Beiden zijn in dezelfde lichtgroene kledij gekleed, als de mensen die ze op het scherm zag trainen.
‘Een dan nog half naakt,’ lacht het meisje.
‘Wat,’ stamelt Jakira, terwijl ze met beide handen haar borsten bedekt.
‘Zijn jullie echte mensen.’
‘Ja, meisje. Hier loopt maar één halogram rond, al is hij soms op verschillende plaatsen tezelfdertijd, en dat is de tempelmeesteres,’ lacht de jongeman.
‘Wie zijn jullie?’
‘Ik ben Quana en dit is Maron,’ antwoordt de groenhuidige.
‘Mijn naam is Jakira.’
‘Quana en Maron. Het wordt tijd dat jullie je training verderzetten,’ zegt een stem plots.
Beiden kijken verrast om.
‘Zeker, meester. Jakira ik zie je later misschien nog wel en trekt dan fatsoenlijke kleren aan,’ zegt Quana lachend.
Moran knikt Jakira toe en volgt Quana naar een van de deuren. Als ze beiden het centrale vertrek verlaten hebben.
‘Deze kennismaking was niet gepland, Jakira. Het is tijd om je terug te brengen naar je ouders.’
Jakira kijkt hem aan en vraagt:
‘Waar komen zij vandaan?’
‘Ik heb geen bevoegdheid om deze vraag te beantwoorden, Jakira. Volg me,’ zegt het halogram.
Jakira mompelt nog iets, maar volgt het halogram dan toch. Hij brengt haar naar een zaal, waar verschillende speciale bedden, in de vorm van een buis, staan opgesteld. De vrouw loopt naar een controle paneel en toe en even later schuift een van de bedden open.
‘Ga erin liggen, Jakira.’
Jakira kijkt hem even aan en doet dan maar wat haar gevraagd wordt. Langzaam gaat ze liggen.
‘He, wat doe je?’ zegt ze nog, terwijl de buis boven haar dichtschuift.
‘Geen paniek, Jakira. Dit is een laatste controle Volgens mijn opdracht moet u opnieuw volledig gezond zijn, voor ik u mag terugbrengen naar uw dorp.’
Jakira kijkt dan maar omhoog en ziet de buis verder dichtschuiven.
‘Slaap wel, Jakira. Over korte tijd zal en ik volledig operationeel zijn en contact met u opnemen, om uw opleiding te starten,’ hoort ze de vrouw nog zeggen.
‘Opleiding,’ vraagt Jakira, nog, maar niemand geeft nog antwoordt en langzaam valt ze in een diep slaap.
Als ze een paar uur later haar ogen opent, ziet ze het bezorgde gezicht van Unka voor zich. Ze richt zich langzaam op en Unka buigt voor haar op de vloer.
‘Z.us, waar was je? Je was een paar minuten verdwenen,’ schrikt Unka.
‘Een paar minuten. Nee, dat kan niet,’ stamelt Jakira.
‘Jakira, waar zi… He, je bent genezen,’ fluistert de veertien jarige Unka.
‘Ja, Unka. Ik. Ben je zeker dat het maar een paar minuten waren. Het leek mij veel langer,’ vraagt Jakira.
‘Toch wel zus. Maar er moet wel veel gebeurd zijn, want je bent gezond teruggekeerd.’
‘Er is ook veel gebeurd, maar het was er zo vreemd. Ik denk dat er ook nog anderen waren.’
Buiten de hut, hoort haar moeder plots stemmen en kijkt naar binnen. Ze verstijft even als ze haar beide dochters in de hut opmerkt. Snel stapt ze de hut in en blijft verbaasd staan.
‘Jakira, je. De goden zijn almachtig. Ze hebben je genezen teruggebracht. hoe,’ stamelt Nikita.
‘Dat weet ik ook niet, moeder. Maar de goden hebben er niets mee te maken. Het was daar zo vreemd. Er stonden wezens met blauwe ogen, maar die konden niet spreken,’ antwoordt Jakira.
‘Wat hebben ze daar gedaan?’ stottert haar moeder.
‘Moeder. Waar ik was, weet ik niet. Maar ze hebben mijn wonde genezen en.’
‘Wezens met blauwe ogen… Ik heb het ook gezien,’ merkt Luron op.
Nikita kijkt haar man verschrikt aan en fluistert:
‘Ja, hebt gelijk. he… weet je nog onze droom, vele jaren geleden.’
‘Jullie droom, moeder,’ vraagt Jakira.
‘Ja, schatje. Ik en je vader hadden beiden dezelfde droom. We waren ergens anders en ik werd wakker in een vreemde omgeving. Er waren ook nog andere mensen, zelfs van andere rassen, die ik nog nooit gezien had. Allemaal waren ze in diepe slaap. Er stonden twee gedaanten met blauwe ogen.’
‘Dat moeten wel machtige wezens zijn, als ze Jakira op een paar minuten konden genezen,’ merkt Jakira’s vader op.
‘Toch denk ik dat ik veel langer weg geweest ben. Voor jullie leken het maar minuten, maar voor mij enkele uren,’ antwoordt Jakira.
‘Dat is vreemd?’, vraagt Luron zich hardop af.
Maar niemand weet een verklaring ook Jakira niet. Plots ziet Unka het teken op Jakira’s rechterschouder.
‘Hè zus, Die vlek, die al een paar jaar op je schouder hebt, is nogal veranderd. Het heeft nu een duidelijke vorm, maar wat stelt het voor.’
Verschrikt kijkt Jakira haar aan.
‘W.waar?’, stamelt ze.
‘Je rechterschouder,’ lacht Unka.
Ook hun ouders hebben het gemerkt.
‘Dat zag er gisteren nog niet zo uit. Sinds je vader gen… had,’ merkt haar moeder op.
Toen ze de waarschuwende blik van haar man zag, stopt ze dadelijk op met spreken. Ze beseft dat ze bijna teveel gezegd had en kijkt even naar de nieuwsgierige gezichten van een paar dorpelingen die naar binnen kijken, maar deze hebben het niet gemerkt.
‘Misschien hebben zij het gedaan. Ze zeiden daar ook iets van een opleiding, maar wat ze daarmee bedoelden weet ik niet,’ zegt Jakira op dat moment.
‘Ga maar slapen, Jakira. Je bent nog te zwak. Morgen zien we wel verder,’ zegt haar vader en geeft een teken aan de anderen.
Een paar uur later wordt Jakira wakker en kijkt verschrikt om zich heen. Ze ligt op een bed. Het plafond en de muren zijn wit. Langzaam richt ze zich op en merkt dan een deur en twee ramen op. In de deur is een klein raampje. Ze laat zich langzaam op de vloer, die koel aanvoelt, zakken. Ze heeft een vreemde kledij aan, Het lijken twee grote handdoeken, die langzaam de zijkant met dunne touwtjes aan elkaar vastgemaakt zijn. Ze heeft er niets onder aan. Voorzichtig loopt ze op een van de ramen toe en schrikt. Ook in die kamer staat een bed, maar op het bed ligt een jong meisje van een jaar of 13. Ze heeft een okerkleurige huid en lange donkerblauwe haren. Ze lijkt nog te slapen. Jakira haast zich dan naar het andere raam en daar ligt een jongeman op het bed. Hij lijkt van haar volk te stammen, al heeft hij een gebruinde huidskleur. Ook deze twee hebben dezelfde kledij aan als zijzelf.
‘Hij lijkt mij ouder zeker 17 of 18,’ denkt ze.
Ze schrikt plots als de jongeman zijn ogen opent. Snel haast Jakira zich naar de deur en tot haar verbazing schuift die open. Even kijkt ze naar buiten en ziet een lange gang langs beide zijden van de deur. Langzaam stapt ze de gang in en loopt naar de deur recht tegenover die van haar, hier is niemand. Ze draait zich om en loopt voorzichtig naar de deur naast de kamer waar ze wakker werd, maar die schuift tot haar opluchting niet open. Ze kijkt naar binnen en ziet de jongeman nu naast zijn bed staan. Ook hij kijkt in verbazing om zich heen. Snel haast ze zich naar de volgende kamer en schrikt. Op het bed ligt een jong groenhuidig meisje, met vuurrode haren.
‘He, dat is Quana. Ook al in haar blootje,’ denkt ze.
Even klopt ze op het venster, maar het meisje reageert niet.
‘Wat is hier gaande?’ denkt Jakira, terwijl ze verder loopt.
Maar in de volgende kamers ligt er niemand meer. Steeds meer nadert ze het einde van de gang en plots blijft ze voor een deur staan. Deze kamer is groter dan de anderen. Maar ook deze deur gaat niet open. Dan merkt ze voor het eerst dat er rechts van de deur een soort schakelaar is. Ze drukt erop en de deur schuift open. Langzaam stapt ze naar binnen en merkt verschillende tafels op, die in een cirkel geplaatst zijn.
‘Waar ben ik nu weer in beland?’, fluistert ze verbaasd.
Ze merkt echter nog steeds niet, dat een vreemd toestel aan de muur haar observeert.
‘Misschien kan ik beter de anderen gaan halen, samen zijn we sterker,’ zegt Jakira half hardop en draait zich om. Dan schrikt ze, als ze zichzelf in een spiegel opmerkt.
‘Dat kan niet, ik zie er veel jonger uit dan ik b,’ roept ze uit en op hetzelfde moment opent ze haar ogen.
Ze ligt in haar bed in het huis van haar ouders. Ze kijkt nog steeds spiedend om haar heen, maar ze kalmeert langzaam als ze beseft waar ze is.
‘Gelukkig, het was maar een droom,’ fluistert ze weifelend.
Als ze een paar uur later tegen haar moeder vertelt, dan zegt deze:
‘Daar ben ik niet zeker van Jakira. Twee jaar geleden zat ik naast Unka’s bed te lezen. Je zus was toen ziek. Dat weet je toch nog wel.’
‘Ja, toen zij een soort griep had.’
‘Dat klopt. Maar toen even na middernacht, keek ik naar jou en je was weg.’
‘Wat. Ik was… zoals vandaag.’
‘Ja, maar toen ik je vader wilde halen, was je er plots weer. Je sliep toen zo vast.’
‘Dus die droom zou echt geweest zijn.’
‘Dat kan, maar ik denk dat het herinneringen zijn aan wat er toen, twee jaar geleden gebeurd is.’
Jakira kijkt haar moeder verbaasd aan. Maar ze kan er niet wijs uit worden en trekt haar schouders op.
‘Waarom gebeurt dit allemaal met mij?’, vraagt Jakira.”
‘Dat weet ik niet, dochtertje. Maar wie weet wat de goden met ons van plan zijn.’
‘Misschien, maar ik denk niet dat het goden zijn. Het is iets anders.’
‘Pas maar op, Jakira. Als het hun dienaren zijn, dan zouden ze je wel eens kunnen straffen.’
‘En als het geen goden zijn, moeder.’
Even kijkt Nikita haar dochter verschrikt aan.
‘Denk niet verder, Jakira. Dat mag niet. Wezens van de duivel. Nee, dat mag niet waar zijn,’ stamelt Nikita verschrikt.
Moeder en dochter kijken elkaar aan en voelen de angst door hun lichaam trekken.
‘Ik ga verder werken. Denk er maar niet meer aan,’ zegt Nikita plots.
Terwijl haar moeder het huis verlaat, loopt Jakira naar de spiegel. Langzaam draait ze zich om en kijkt naar het teken op haar rechterschouder. Het ziet eruit als twee handen, die licht gebogen met de palm naar elkaar toe omhoog gehouden worden.
‘Het teken van de duivel… Nee, dat kan het niet zijn,’ fluistert ze met trillende stem.
‘Misschien weet Sinaron het, zus.’
‘Sinaron. Waarom zou die… Weet jij waar hij is.’
‘Ja, Jakira. Hij heeft zijn tent aan de rand van het dorp opgeslagen.’
‘Weet hij al dat ik terug ben.’
‘Nu je het zegt, dat heb ik vergeten te melden. Ik had hem beloofd, dat ik hem dadelijk zou…’
‘Laat maar, zusje. Ik zal hem eens verrassen,’ lacht Jakira en verlaat het huis.
Unka volgt haar. Als ze de tent naderen zegt Jakira:
‘Zusje, roep hem eens.’
Terwijl Jakira tot naast de tent sluipt, roept Unka, de naam van de krijger. Maar niemand geeft antwoord. Plots ziet Jakira Unka glimlachen, maar als ze zich omdraait, schrikt ze.
Sinaron staat voor haar. Even kijken ze elkaar aan zonder te bewegen.
‘I.ik dank je voor je hulp. Sinaron,’ zegt ze met trillende stem.
‘Geen dank, boerendochter. Dat behoorde tot mijn opdracht,’ lacht hij.
Jakira antwoordt niet, maar ze is helemaal in de war. Haar hart gaat als een wild te keer. Ook Sinaron voelt zich verward. Maar hij beseft steeds meer, dat hij op dit meisje verliefd is. Plots draait Jakira zich met een ruk om en loopt naar Unka toe.
‘Kom, Unka.’
Haar zusje kijkt naar de krijger en trekt haar schouders op. Dan volgt ze Jakira. Maar als Jakira de richting van hun huis inslaat blijft ze plots staan.
Unka botst bijna tegen haar op.
‘Hoe is het met Tinron?’, hoort Unka, haar zus vragen.
Unka kijkt naar Jakira en zoekt naar woorden.
‘I…ik. Tinron was al dood, toen vader jullie vond.’
‘Tinron. D.dood,’ stamelt haar blonde zus.
‘Ja.’
‘Weet je waar is hij begraven ligt?’
‘Zijn ouders hebben hem komen halen, zus. Ik denk dat ze hem in hun dorp begraven hebben.’
Jakira kijkt nadenkend om zich heen en als ze zich omdraait staat haar besluit vast. Ze moet naar Kranjon om de ouders van Tinron te spreken. Als ze het aan haar vader vraagt, wil deze eerst geen toestemming verlenen. Maar als blijkt dat Junzo, hij wil Kaïnja weerzien, en ook Sinaron meegaan, stemt hij toch toe.
Na enkele voorbereidingen verlaten broer en zus een paar dagen later het dorp. Ze zijn allebei gewapend met een boog en een paar pijlen en een stok als wapen, waar ze als de beste kunnen omgaan. Nadat ze van hun ouders afscheid genomen hebben, gaan ze op weg naar Kranjon. Sinaron, die hen aan de rand van het dorp, staat op te wachten, vergezeld hen.
De derde dag van hun reis te paard, loopt het tegen de avond Als Junzo opmerkt:
‘Dat lijkt me een goede plek, zus.’
Maar Sinaron heeft zijn paard enkele passen verder ingehouden. Ook Jakira kijkt in de richting waarin de krijger kijkt.
‘Dat denk ik niet, Junzo,’ zegt Jakira ernstig.
Ook Junzo kijkt in de richting die Jakira aanwijst. Boven de bomen zien ze een lichte rook naar de hemel stijgen. Sinaron is intussen van zijn paard afgestegen en trekt zijn zwaard. Jakira en Junzo stijgen ook af en volgen de krijger met hun stokken gewapend. De drie volgen een smal pad, dat op een open plek uitkomt. Dan blijven ze plots staan. Aan de rand van de open plek staan drie uitgebrande wagens. Onze vrienden lopen langzaam dichtbij en zien verschillende doden liggen. Mannen, vrouwen en kinderen. De meeste mensen zijn met pijlen doorboord. Vol afgrijzen kijken ze om zich heen, maar zien geen enkele overlevende. Zelfs een baby is met een zwaard doodgeslagen. Terwijl Sinaron de omgeving gaat verkennen, beginnen Jakira en Junzo enkele kuilen te graven voor de doden. Plots verstart Junzo. Onder een dode lag een schild van een krijger. In het midden ervan staat het kenteken van Dirak.
‘Wat is er, broer?’, vraagt Jakira.
‘Het zijn mannen van Dirak, die dit gedaan hebben. Misschien was hij er zelf bij.’
Zijn zus loopt op hem toe en kijkt ook neer op het schild. Even staart ze naar het teken, een bloedrode doodskop, met er boven een bol met scherpe uitsteeksels. Dan kijkt Jakira nog even naar enkele doden in het gras. Als Jakira naar haar kijkt, merkt hij dadelijk dat de glimlach op haar gezicht verdwenen is. Zonder iets te zeggen loopt ze naar een dode vrouw en draagt haar dan naar de kuil die ze groeven. Junzo loopt haar toe en helpt haar om de vrouw in de kuil leggen. Plots komt Sinaron, die de omgeving gaan verkennen is, met de paarden terug gereden.
‘Er zijn sporen van een tiental ruiters, die naar het westen wegrijden,’ meldt Sinaron.
‘Het zijn mannen van Dirak, de rover,’ sist Jakira, terwijl ze naar het schild wijst.
‘Dirak dus,’ zegt Sinaron en stijgt van zijn paard.
Twee uur later hebben onze vrienden het laatste graf dichtgemaakt.
‘Wat doen we? Hier de nacht doorbrengen of verder trekken,’ vraagt Junzo.
‘We slaan hier ons kamp op, broertje. Ik ben te moe om nog veel verder te raken. Je hebt toch geen angst van spoken.’
De drie jaar oudere Junzo kijkt naar zijn zus en lacht even. Dan loopt hij de paarden aan de teugel naar de andere kant van de open plek. Jakira en Sinaron volgen hem en terwijl Jakira een beetje eten uitpakt, maakt haar broer een vuur. Sinaron heeft intussen de paarden verzorgd en komt bij hen zitten. Na tijdje besluiten ze om te gaan slapen en gaan omheen het vuur liggen. Jakira kan echter de slaap niet vatten. Ze heeft vreemde dromen, waarin een vreemde vrouw, die ze nog nooit gezien heeft voorkomt. Ze staat dan maar op en gaat aan het vuur zitten. Nadenkend kijkt ze naar de flakkerende vlammen. Plots merkt ze een, in het wit geklede, gedaante tussen de bomen op. Verschrikt richt ze zich op.
‘Dat lijkt wel een geest,’ denkt ze.
De vreemde gedaante heft een arm op en wijst naar een plek dieper tussen de bomen. Jakira staat op, terwijl ze haar stok opraapt. Dan loopt ze in de aangewezen richting.
Als ze een tiental meter van het vuur verwijderd is, blijft ze staan en kijkt ze de vreemde aan.
‘Wie bent u?’
‘Niemand, Jakira. Ik besta niet zoals jij.’
‘Dus een geest?’, vraagt het meisje.
‘Nee, Jakira. Ik ben niet dood, want ik heb nooit geleefd. Ik ben een wezen dat volledig uit energie opgewekt wordt door een programma. Een soort halogram. Mijn tempelwachters noemen mij de tempelmeesteres. Ik werd naar een echte persoon genoemd, die ooit lang geleden een levend bestaan leidde. Haar naam was Anya.’
‘Programma???’
‘Dat is iets voor later. Nu is het tijd om uw opleiding te starten.’
‘Mijn opleiding. Ik heb al genoeg geleerd om een eigen leven op te bouwen.’
‘Zeker, maar niet voor de taak waar u voor uitverkoren bent.’
‘Uitverkoren. I.ik,’ stamelt Jakira.
‘Ja, al voor uw geboorte werd jij hiervoor, samen met nog een aantal anderen behandeld. Hierdoor zijn uw natuurlijke esperkrachten versterkt.’
‘Mijn esperkrachten.’
‘Ja, Jakira. Je hebt je vader toch genezen.’
‘Ik dacht.. Was ik dat?’
‘Ja, je deed dat instinctief. Je zult in de toekomst nog meer krachten leren gebruiken.’
‘U zei daareven, voor mijn geboorte… Wie heeft u toestemming gegeven? Mijn ouders.’
‘Nee, ook zij waren niet op de hoogte van wat er met u gebeurde. Maar het was nodig om de taak die u wacht aan te kunnen.’
‘U spreekt altijd van mijn taak. Wie zegt dat ik niet iets anders wil, Anya?’
‘Dat mag je later beslissen, Jakira. Als uw opleiding voltooid is, dan kan je samen met je lotgenoten een keuze maken.’
Even denkt Jakira na en zegt dan:
‘In orde, Anya. Bereid me maar voor.’
‘Hier, dit is voor u.’
‘Wat is dat voor een ding,’ vraagt Jakira.
‘Een hypsoon, het zal je helpen en bijstaan om de nieuwe dingen in uw leven beter te begrijpen.’
Jakira neemt het vreemde apparaat aan en kijkt er even naar. Het heeft de vorm van een Pentagon.
‘Nieuwe dingen?’, vraagt ze verbaasd.
‘Dingen zoals ik.’
Jakira kijkt de vreemde vrouw met grote ogen, maar snapt er niets van. Dan kijkt ze weer naar het kleine Pentagon in haar hand.
‘Wat moet ik daar nu mee?’, vraagt ze zich af.
