12. Het volgend slachtoffer

‘Hoe voel je je?’ vraagt ze, als ze merkt dat Jakira haar ogen open heeft.

‘Da.at w.was op het nip.pert.je.’ fluistert Jakira, terwijl ze haar ogen sluit.

‘Het komt wel goed,’ zegt Quana en richt zich tot beide anderen.

‘Rondo, stel je ons niet voor.’

Dan ziet ze Tena wankelen en staat op. Samen met Rondo legt ze het meisje naast Jakira. Maar de roodblonde vrouw blijft niet liggen en richt zich weer op.

‘Het gaat al, ik ben al bijna de oude,’ fluistert ze uit. ‘Wat was dat. Het leek alsof we door een rots drongen, terwijl we weg getrokken werden naar iets vreemds en afschrikwekkend,’ legt ze uit.

‘Deze weerspannige zieke is Tena. En dit is Quana,’ stelt Rondo beide vrouwen aan elkaar voor.

Op dat moment opent Jakira weer haar ogen en richt zich op.

‘En dit is Jakira.’

‘Dat wist ik al, Rondo. Je hebt haar naam genoemd voor ze daarstraks met jou verdween,’ zegt Tena

‘O, ja. Dat was ik vergeten,’ lacht de jongeman.

Jakira staat licht wankelend recht en gaat naar de uitgang van de grot toe.

‘Het duurde zo lang.’

‘Ja, Quana. Iets trok ons weg, maar gelukkig was mijn wilskracht groot genoeg om tot hier te geraken. Wat het was weet ik niet, maar we moeten oppassen, anders overleven we het de volgende keer misschien niet ‘

‘Jou teleportatiekrachten lijken mij niet veilig te zijn. Misschien moet je meer oefenen.’

‘Nee, Quana. Dat is het niet, er was iets anders dat ons wegtrok. Wat dat is weet ik nog niet, maar ik zal het wel uitzoeken.’

‘Hoe is het met Tena,’ vraagt ze dan.

‘Ze voelt zich al veel beter, maar ze is er wel van geschrokken.’

‘Ik weet niet wat er buiten gaande is, maar ik zou er niet graag inzitten,’ merkt Rondo plots op.

‘Zeg, hebben jullie niets gemerkt. Buiten woedt een vreselijke storm, maar hier is er niets van te merken. Hoe komt dat?’ merkt Quana vragend op.

Jakira steekt haar hand naar buiten en voelt plots een vreemde tinteling door haar hand schieten, terwijl energieflitsen van haar hand wegschieten naar de wanden van de grot. Nadenkend trekt ze haar hand terug en kijkt ze naar buiten, maar ze ziet de storm over de omgeving van de grot woeden, alsof er niets is tussen zichzelf en buiten.

Ze schudt met haar hoofd.

‘Het lijkt wel alsof de ingang afgesloten is, door iets onzichtbaars.’

Plots klinkt een kreet achter hen.

‘Tena, wat is er?’ vraagt Rondo, terwijl hij zich naar haar omdraait en Anya ziet staan.

‘Anya, doe jij dit,’ vraagt Jakira op dat ogenblik, terwijl ze naar de uitgang wijst.

‘Nee, daar zorgt de tempel, die door de K-8 gebouwd werd, voor Jakira,’ klinkt een stem plots achter haar.

‘K-8, Anya. Wie is dat? Iemand zoals jij, maar dan vrouwelijk,’ vraagt Quana.

‘Nee, K-8 is de centrale computer van een kruiser met hetzelfde nummer, die op deze planeet geland is. Hij is gestationeerd in het complex, waar sommigen van jullie les kregen.’

Jakira en Quana begrijpen de woorden van Anya, maar voor Rondo en Tena lijkt Anya in raadsels te spreken.

‘Anya weet jij waar Danor en Aya zijn. Hopelijk zijn ze veilig.’

‘Dat zijn ze, Jakira. Zij hebben een stevige berghut gevonden en schuilen daarin.’

‘Kunnen we hen niet gaan halen.

‘Nee, Jakira. Teleportatie zou hen en jullie alleen in gevaar brengen. Voorlopig blijven ze beter daar.’

‘En Dargo en de anderen. Zijn die veilig?’ vraagt Quana.

‘Ik heb droevig nieuws. Janoro is vermist.’

‘Wat? Anya. Weet je wat er gebeurd is?’

‘Nee, Jakira. Toen ik hen op de hoogte wilde brengen van de komende storm, was deze al in hevigheid losgebarsten. Dargo was juist terug bij Sinaron aan de rivier aangekomen. Janoro was toen al niet meer bij hen. Om hem te gaan zoeken was het al te laat. Dargo opperde dat hij wel naar het dorp zou terugkeren. Dus gingen beiden terug naar het dorp. Ook de peilers van de K-8 vonden hem niet, maar die werden op dat ogenblik zwaar gestoord, door de elektromagnetische velden die een gevolg zijn van de storm.’

‘Is hij intussen nog niet teruggekeerd,’ vraagt Quana.

‘Nee, ik ben voor ik naar hier kwam nog even bij onze vrienden daar geweest, maar ze hebben niets van hem gezien of gehoord.’

‘En telepathisch,’ oppert Quana.

‘Ook niets. En dat lijkt me wel vreemd, zeker nu de storm afneemt.’

‘Anya, wordt de storm minder. Dan kunnen we hem gaan zoeken,’ zegt Jakira en concentreert zich.

Anya kijkt op en geeft snel een bevel aan de K-8. Dadelijk wordt het scherm om de grot uitgeschakeld. Juist op tijd. Op de plaats waar Jakira daareven nog stond horen ze en lichte plop.

Jakira materialiseert intussen aan de rand van het dorp en loopt naar de huizen toe. Ze kijkt om zich heen ziet overal mensen die bezig zijn om hun huizen te herstellen. Enkele huizen zijn echter volledig vernield. Plots vangt ze de gedachten van Sinaron, Dargo en een onbekende vrouw op. Snel haast ze zich naar andere kant van het dorp toe en roept.

‘Sinaron.’

‘Jakira!’ roept deze, terwijl hij zich opgelucht omdraait.

Dan omarmen ze elkaar. Maar Sinaron wendt zich af, terwijl Jakira verwart een stap achteruit doet. Even lijken zijn ogen een vreemde glans te hebben.

‘Sinaron, wat….’

‘Nu niet, Jakira. We maken ons zorgen om Janoro. We weten niet waar hij is.’

‘Hm, hm,’ kucht Dargo, terwijl hij hun aandacht probeert te trekken.

Even kijkt Jakira Sinaron met gefronste wenkbrauwen aan, maar trekt dan haar schouders op en vraagt:

‘Wie is jullie nieuwe vriendin?’

‘Mijn naam is Iljane. Jij moet die Jakira zijn, waar Sinaron zo gek van is,’ lacht Iljane, terwijl Sinaron naar de grond staart.

‘Zeg, Sinaron. Niet zo verlegen doen. Ik weet al lang dat jullie tweeën iets hebben,’ lacht Dargo.

De ogen van de jongeman lijken even te veranderen, maar dan kijkt hij op en zegt ruw:

‘Laat ons verder gaan zoeken naar Janoro, misschien heeft hij onze hulp nodig.’

‘Oké. Maar ik ga eerst nog enkele vrienden halen,’ lacht Jakira, terwijl ze naar Dargo kijkt.

Even concentreert ze zich en teleporteert naar de grot. Als ze de hand van Tena wil vastpakken, trekt de jonge vrouw haar hand terug. Even kijkt Jakira haar aan en zegt:

‘Het is veilig, Tena. De storm is zo goed als voorbij. Ik zal eerst Quana wegbrengen en dan jullie beiden,’ lacht Jakira en dan zijn beiden verdwenen.

Twee minuten later is ze er weer en loopt op Rondo en Tena toe.

‘Kom, Tena. Laat ons gaan. Je ziet toch dat ze ongedeerd teruggekeerd is,’ zegt Rondo.

Aarzelend geeft Tena Jakira een hand. Rondo volgt haar voorbeeld en even later materialiseren ze alle drie aan de rand van het dorp. Terwijl Quana de anderen aan elkaar voorstelt, ondersteunt Sinaron Jakira, die lichtjes wankelt.

‘Is er iets?’ vraagt Sinaron bezorgd, terwijl hij een arm om haar schouders slaat.

‘Nee, ik ben nog niet op krachten, na de hel die we tijdens de storm meemaakten. Over een paar minuten gaat het wel weer. Laat ons nu maar naar Janoro gaan zoeken.’

Even kijk Dargo haar aan en trekt zijn schouders op.

‘Laat ons dan maar naar de plaats gaan waar we Janoro voor het laatst zagen.’

‘Eerst moeten we paarden hebben.’

‘Laat maar. Jullie kunnen bij ons achterop zitten,’ zegt Sinaron, terwijl hij opstijgt.

Dan geeft hij Jakira een arm en trekt haar achter zich op zijn paard. Quana laat zich door Dargo achter hem op het paard trekken. Iljane geeft de teugels van haar paard aan Rondo.

‘Hier neem mijn paard maar. Ik wacht in het dorp op jullie terugkeer.’

‘Dank je,’ zegt Rondo dan, waarna hij opstijgt en Tena op het paard helpt.

Dan volgen ze de anderen naar de plaats op de weg waar Janoro voor het laatst zagen.

‘Ik denk dat het hier was,’ zegt Dargo, terwijl hij zijn paard inhoudt.

‘Ja, maar met al die verwoesting herken ik het bijna niet. Toch denk ik dat we op de juiste plaats zijn,’ merkt Sinaron op.

‘Als het klopt, dan is Janoro in die richting gegaan.’

‘Hee, dit is de plek waar Quana gedo… gewond werd,’ merkt Jakira plots.

‘Wat wilde je zeggen, Quana….’

‘We werden hier door de Oekas opgewacht. Ik en Quana wisten niet dat ze ons als uitverkorenen ontdekt hadden. Op deze plaats moesten we beiden gedood worden. Het leek alsof het bij Quana gelukt was, maar later bleek dat ze nog leefde.’

Even kijkt Dargo de blonde vrouw aan en zegt:

‘Dus dat is hier gebeurt.’

‘En jij, Jakira. Hoe slaagde jij erin om te ontkomen.’

Even kijkt Jakira naar Sinaron en zegt:

‘Ik werd door een vreemd goedje geraakt, dat zich doorheen mijn huid vrat. Ik slaagde erin om mijn lichaam langzaam vanaf mijn voeten in gas te veranderen. Het leek alsof hun plannetje geslaagd, toen ik de rest van mijn lichaam door de stroom liet meevoeren.’

‘Wauw… in gas… Je lijkt je krachten steeds beter te beheersen.’

‘Dat klopt, schat. Maar toch voel ik dat ik nog heel veel moet leren.’

‘Hee, wordt het geen tijd om verder te zoeken.’

‘Ja, Dargo. Ga maar voor wij volgen wel,’ zegt Jakira, terwijl ze afstijgt.

Overal liggen omgevallen bomen en onze vrienden moeten eroverheen kruipen en na een twintigtal minuten bereiken ze een klein riviertje.

‘Hier zijn we uit elkaar gegaan, Dargo. Ik bleef hier staan wachten, terwijl jullie… Als ik het niet mis hebt hadden we afgesproken om ongeveer vijftig meter vanaf dit punt te stoppen.’

‘Ja, je hebt gelijk, Sinaron,’ zegt Dargo nadenkend. ‘Laten we met zijn allen ongeveer vijftig meter stroomopwaarts lopen. En van daar in steeds groter wordende kringen zoeken.’

Een paar minuten later bereiken ze hun doel en ze verspreiden zich

Het is echter niet zo gemakkelijk, overal liggen omgevallen en losgerukte bomen. Plots horen ze de telepathische stem van Dargo.

‘Jakira, Tena heeft hem gevonden. Je kunt beter zelf komen kijken.’

‘Hoe is het met hem?’ vraagt Quana.

‘Hij is dood.’ luidt het antwoordt.

Jakira en haar vrienden kijken elkaar ontstelt aan.

‘Kom, we gaan kijken,’ zegt Dargo, die zich als eerste herpakt.

Onze vrienden haasten zich naar hun drie kameraden toe. Toch duurt het ongeveer tien minuten voor ze hen bereiken. Intussen is het opnieuw beginnen regen.

Ze schrikken wel even als ze het hevig toegetakelde lichaam van Janoro zien liggen. Het lijkt wel dat hij door verschillende speren doorboord is.

Jakira ziet plots een gedachte flits voor haar ogen. Aan de rand van de rivier op het einde van de jacht zag ze iets achter Quana opdoemen en toen werd haar vriendin door een vijftal vlijmscherpe klauwen doorboord. Voor haar ogen ziet ze de beelden voorbij trekken.

‘Quana, die wonden zijn door hetzelfde monster veroorzaakt, als diegene die jou zo goed als dodelijk verwonde op het einde van de jachtpartij,’ zegt Jakira.

‘Of een ander. Misschien zijn er meer,’ merkt Sinaron op.

‘Jakira. Kijk, hij heeft nog iets met zijn bloed proberen te schrijven. Het lijkt wel S.I.V.A. De rest is door de regen. He. Wat is er?’

‘Het is niets, Dargo. Het leek hier plots kouder te worden, maar nu is het voorbij,’ zegt Jakira, terwijl ze naar haar vrienden kijkt.

‘Ik voelde het ook even. Het was alsof iets tussen mij en Sinaron stond,’ zegt Tena.

‘Ik heb niets gevoeld.’

‘Dat is misschien te verklaren omdat jij geen esperkrachten bezit, Sinaron.’

‘Je moet het er niet zo dik opleggen, Jakira. Ik weet al enige tijd, dat ik niet bij dit groepje hoor, Jakira,’ zegt Sinaron kwaad en loopt van hen weg.

Geen van allen merken de gedaanten op, die tussen de bomen op hen toe sluipen.

Jakira haast zich achter Sinaron aan. Verschrikt blijft ze plots staan en kijkt naar de krijger, die zonder zich te bewegen voor zich uit staart. Jakira voelt dat er iets dreigend is en kijkt om zich heen. Telepathisch scant ze de omgeving, maar ze ontdekt niets. Toch voelt ze zich niet gerust.

Er moet iets zijn,’ denkt ze, maar dan trekt het gevoel weg.

Op hetzelfde moment draait Sinaron zich om en kijkt haar aan.

‘Voelde jij het ook, schat,’ vraagt hij.

‘J.ja. Er was iets tussen de bomen, dat voelde ik, maar nu is het weg.’

‘Dat heb ik ook gevoeld, maar toen ik het telepathisch probeerde te lokaliseren, trok dat vreemde zich plots terug. Het leek wel angst te hebben ‘ zegt de krijger ernstig.

Jakira kijkt hem even aan en weer ziet ze die vreemde glans in zijn ogen.

‘Sinaron, het spijt me. I.ik dacht daarstraks niet na, toen ik…. Je hebt geen krachten zoals wij, maar je bent een van de beste zwaardvechters, die ik ken en i.ik hou van jou.’

Sinaron blijft staan en kijkt om. Dan trekt hij haar naar zich toe.

Langzaam ze kussen elkaar, terwijl zijn ogen vreemd glinsteren. Even lijken ze zwart te worden, maar dan zijn ze weer normaal.

‘Ik hou ook van jou,’ zegt hij.

‘Je hoort ook bij ons, vergeet het niet. We zijn allen van verschillende afkomst. Kijk maar naar Quana, zij heeft een lichtgroene huid, Tena is een Dura (Prinses), ik ben een boerin.’

‘Jaja. Je hebt gelijk, lieveling. Ik snap het al wel. Kom, we gaan de anderen helpen om Janoro te begraven.

Even kijkt ze hem aan en fronst even haar voorhoofd. Het leek wel alsof zijn ogen helemaal zwart waren en ze voelde even koude rillingen over haar rug lopen. Zij ogen zijn echter nog steeds hel blauw van kleur en kijken haar verbaasd aan.

‘Gaan we nu nog, of blijven we hier,’ lacht Sinaron en wrijft haar natte haar uit haar gezicht.

Jakira maakt zich van hem los.

‘We gaan hen helpen,’: lacht ze.

‘Dura Tena,’ stamelt Rondo, die de woorden van Jakira gehoord heeft en kijkt de jonge zwaardvechtster verbaasd aan.

‘Ja, Ik ben in mijn land een Dura, maar hier een zwaardvechtster,’ lacht Tena, terwijl ze een klein rotsblok opheft.

Een Dura, ik ben verliefd op een Dura en zij op mij. Dari (Prins) Rondo. Dat klinkt niet slecht,’ denkt hij.

‘Ik op jou verlieft. Je bevalt me, dat is alles, schatje.”; lacht ze.

De jongeman kijkt haar verschrikt aan.

‘Jij???’

Maar dan trekt ze haar schouders op en zegt:

‘Kom, Rondo, schat. Help me, in plaats van naar mij te staren.’

‘O.ké,’ stamelt hij, terwijl hij naar de lachende Tena kijkt.

Een paar minuten later kijken onze vrienden nog even naar het met rotsen bedekte lichaam van hun vriend en gaan dan op weg naar het dorp.

Maar als ze de weg bereiken.

‘Jakira, pas op!!’ roept Tena plots.

Het is echter te laat. Ze zijn door woeste soldaten omringd. Als Quana haar zwaard wil trekken, hoort ze de telepathische stem van Jakira;

‘Laat het. Dit zijn soldaten uit zuidelijke streken, zij begeleiden Koningin Foarna en haar kinderen.’

‘Soldaten, breng me bij uw Koningin. Wij kunnen haar helpen,’ richt Jakira zich tot de verraste krijgers.

‘Hoe weet jij. Een heks. Grijp hen,’ stamelt een krijger verschrikt.

Jakira kijkt hem even aan en plots voelt de krijger zich vastgegrepen en vliegt achteruit. De anderen grijpen naar hun zwaarden.

‘Seran Turgo. Stop! Maak geen fout, die je, je later zult betreuren,’ merkt Dargo op, die naast Jakira staat.

Turgo kijkt naar Dargo en laat zijn zwaard los, waardoor het terug in de schede schuift. Dan geeft een teken en zijn mannen steken hun zwaarden weer weg. Jakira loopt plots op de soldaat toe die op de weg terecht kwam en grijpt zijn hand. Met een ruk trekt ze hem weer rechtop. Verbaasd kijkt de man haar aan.

‘Niet zo staren, soldaat Donro. Of je beland weer op je achterste. Een lekkere meid ben ik ook niet en zeker geen heks,’ fluistert Jakira.

De soldaat wendt zijn blik af, terwijl zijn maten naar hem grijnzen.

‘Wil een van jullie ook eens op zijn achterste zitten,’ dreigt Jakira en wendt zich plots tot de Seran.

‘Ik weet dat jullie door de storm verrast werden. Koningin Foarna heeft onze hulp nodig. Haar zoon, Kerto, kwam onder een neerstortende boom terecht en is stervende. Ik wil hem helpen, maar dan moeten we voortmaken,’ zegt Jakira

Onze vrienden zien dat de krijgers in tweestrijd zijn en niet goed weten wat te doen.

‘Seran, volg ons maar als jullie een besluit genomen hebben. Wij gaan naar de gewonden toe,’ lacht Tena, terwijl ze opstijgt en haar vrienden volgt.

De soldaten kijken hen na terwijl ze in de richting van het dorp rijden. Dan rennen ze naar hun paarden.

‘Kun je niet beter teleporteren, lieveling,’ merkt Sinaron op. ‘Dan kun je hem sneller behandelen.’

‘Nee, Sinaron. Zijn toestand is redelijk stabiel, hij houdt het wel vol tot we daar zijn. We mogen onze krachten niet nutteloos verspillen,’ antwoordt Jakira uit.

Als ze het dorp naderen, zien ze Iljane te paard naderen. Ze heeft nog drie gezadelde paarden aan de teugels vast.

‘Wat is er gebeurd?’ roept ze.

‘Later, Iljane. We moeten verder,’ roept Jakira terug.

Onze vrienden houden hun paarden in. Jakira springt dadelijk van het paard van Sinaron en grijpt een teugel van een van de paarden die Iljane bij zich heeft en stijgt op. Samen met de krijgers, die intussen ook het dorp bereikt hebben, rijdt ze verder. Sinaron volgt haar.

‘Deze maal ga ik met Jakira mee,’ lacht Iljane en geeft haar paard de sporen, terwijl ze de teugels van de twee andere paarden aan Quana geeft.

Ook zij verandert snel van paard en volgt haar.

Dargo, Tena en Rondo blijven achter en keren hun paarden naar het dorp toe.

‘Jakira en de anderen kunnen het wel alleen aan,’ zegt Dargo.

‘Gelukkig is het opgehouden met regenen,’ merkt Rondo op.

Intussen bemerkt Jakira de wagens van het koninklijk gezelschap en rijdt ernaar toe. Enkele krijgers houden haar tegen, tot Seran Turgo beveelt:

‘Stop. Zij is hier om de Dari te helpen.’

‘Het spijt me, Seran, maar ik denk niet dat zij hem nog veel hulp kan bieden. Hij is stervende.’

Jakira wacht echter niet en haast zich, door Sinaron, Quana en Iljane gevolgd, naar de gewonde. Ze knielt naast hem en kijkt even naar de koningin.

‘Laat maar, meisje. We kunnen mijn zoon alleen nog maar bijstaan en zijn lijden verzachten,’ zegt ze, terwijl ze huilt van verdriet.

‘Dari Kerto zal leven. Dur (Koningin) Foarna,’ zegt Jakira en kijkt naar de gewonde.

Ze concentreert zich en iets later houdt ze verrast op.

‘Nog een esper, al is het maar zwak. Hoe komt dat toch? Het lijkt wel alsof er hier meer espers dan normale mensen rondlopen,’ denkt ze.

Even opent de gewonde zijn ogen en kijkt haar aan.

‘Wi,’ zegt hij, maar verliest weer het bewustzijn.

Jakira hervat zich en houdt haar handen een dertigtal centimeter boven het lichaam van de jonge Dari. Dan beweegt ze haar handen over hem heen van hoofd tot voeten. Twee maal na elkaar, waarna ze haar handen langzaam op haar knieën laat zakken. Naar de jongeman kijkend, concentreert ze zich dieper en dieper. Plots schrikt de koningin.

Haar zoon wordt door een groen licht omgeven en stijgt langzaam van de grond op. Ongeveer twintig minuten hangt hij zo, dan daalt hij langzaam naar de grond toe en opent een paar seconden later zijn ogen. Eerst valt zijn blik op Jakira, maar dan kijkt hij verbaasd om zich heen. Jakira helpt hem recht, maar plots schrikken ze allen.

Een luidde kreet, die langzaam overgaat in gerochel, weerklinkt door het bos. Iedereen kijkt verschrikt op. Jakira trekt bliksemsnel haar zwaard en samen met Quana rent ze in de richting waarvan de kreet weerklonk. Enkele soldaten volgen haar.

‘Sinaron!!’ roept Jakira plots en knielt naast de gewonde.

‘Jakira, ik kon haar niet meer helpen,’ stamelt Sinaron.

Jakira kijkt om en ziet Iljane, tegen een boom liggen. Ook Quana heeft het gemerkt en rent naar haar vriendin. Ze laat zich naast de jonge vrouw op haar knieën vallen en schrikt.

‘J.Jakira. Ze is dood,’ stamelt ze.

Jakira staat snel op en knielt even later naast Quana en onderzoekt met haar gedachten Iljane. Dadelijk beseft ze dat hier geen hulp meer kan baten.

‘Het is te laat, Quana. Dat monster heeft haar goed te pakken gehad, toch heeft ze hem geraakt.’

‘Ja, je hebt gelijk, Jakira. Haar zwaard is vol groen. het lijkt wel bloed. Zou het hetzelfde monster zijn dat ook Janoro te pakken kreeg,’ vraagt Quana.

‘Misschien, het lijkt er wel op, maar er kunnen ook meerdere zijn. Ik ga Sinaron helpen, hij is gewond.’

‘Laat maar, Jakira. Ik heb het al verbonden,’ zegt Sinaron.

‘Waarom? Je weet toch dat ik uw wonde in een paar seconden kan genezen.’

‘Ja, Jakira. Maar ik kon Iljane niet redden van dat monster. Daarom wil ik dat mijn wonde mij er de eerste weken aan herinnert, zodat ik deze fout nooit meer zal maken.’

‘Zoals je wilt, schat. Als je van gedachten verandert, laat me het dan weten.’

‘Laat ons Iljane begraven,’ zegt Quana op, terwijl ze naar de soldaten kijkt die naar hen staan te kijken.

Op dat moment klinkt een bevelende stem:

‘Turgo, deel uw mannen in om een wachtbeurt op te trekken in de omgeving van onze nieuwe vrienden.’

‘In orde, Dur’ antwoordt de Seran en geeft zijn mannen een teken.

‘Dur Foarna. Laat maar. Het is niet nodig. Jullie kunnen beter één van de koetsen proberen te herstellen,’ zegt Jakira, terwijl ze samen met Quana enkele rotsblokken met telekinese omhoog tilt.

De Dur, Kerto en enkele soldaten kijken verbaasd toe.

‘Moeder, het begint opnieuw te regenen.’

‘Ja, Kerto. Ik heb het gemerkt.’

Na een paar minuten is het lichaam van Iljane volledig bedolven onder de rotsblokken. Terwijl Jakira het zwaard van haar dode vriendin op het graf legt, komt Sinaron wankelend naderbij.

Jakira kijkt hem even aan, maar zodra hij het merkt, schut hij zijn hoofd. De blonde vrouw haalt haar schouders op en fluistert:

‘Als je pijn wil leiden…Je moet het maar zelf weten, Sinaron. ‘

Dan volgt ze hem op een paar passen.

Als ze bij de koetsen aankomen, rollen twee soldaten een wiel van de ene koets naar de andere, terwijl vier anderen de eerste koets omhoog heffen. Het wiel wordt op de as geschoven en vastgemaakt.

‘Deze is het minst beschadigd, daarom hebben wij deze hersteld, Dur,’ zegt Turgo.

‘In orde, Seran,’ zegt de Dur. Het lijkt me beter om de raad van Jakira op te volgen en in het dorp beschutting zoeken.

Twee soldaten nemen plaats vooraan in de koets, terwijl de Koningin met haar zoon instapt.

Dan gaat de groep op weg naar het dorp, terwijl het intussen al feller regent.

‘Zeg, Quana. Heb je het ook al gemerkt. Kijk eens naar de lucht in de verte.’

‘Ja, Jakira. Ik was het ook al aan het denken. Het wordt nog donkerder, terwijl het nog maar pas na de middag is.’

‘Als we het dorp bereiken kunnen we het beste snel iets eten, anders komt het er misschien niet meer van.’

‘In orde, Jakira, maar ik hoop dat jullie het allebei mis hebben,’ glimlacht Sinaron.

‘Ik hoop het ook, maar we kunnen beter onze voorzorgen nemen,’ zegt Jakira en geeft haar paard de sporen.

Ze heeft echter de blik opgemerkt waarmee Dari Kerto naar Quana kijkt en lacht even begrijpend. Het lijkt wel alsof de godin van de liefde in heel hun groep aanwezig. Alleen mogen ze er zich niet door laten afleiden, anders zou het wel hun laatste dagen kunnen zijn onder de levenden.

Even later houdt ze haar paard weer in.

‘Seran, we kunnen beter versnellen. Misschien is er een nieuwe storm op komst.

Even kijkt de man in de richting, die Jakira aanwijst en antwoordt:

‘Als u gelijk heeft, dan moeten we ons haasten en de overblijvende huizen van het dorp verstevigen.’

Dan geeft hij zijn mannen en teken. Jakira laat de colonne voorbij trekken en voegt zich weer bij haar twee vrienden.

‘Ik heb Dargo op de hoogte gebracht, maar hij wist het al. Ze zijn al bezig om zich voor te bereiden,’ meldt Quana.

Ongeveer tien minuten later rijden ze het dorp binnen en stijgen af.

‘Breng de paarden hier binnen,’ roept Dargo, terwijl hij op hen toeloopt.

‘In die schuur?’ vraagt Quana.

‘Ja, ik denk dat ze daar veilig zijn, dat gebouw heeft de vorige storm goed doorstaan en we hebben het al verstevigd,’ antwoordt Dargo.

Samen met de paarden van de soldaten brengen onze vrienden die van hen naar de schuur. Dan gaan ze met Dargo naar de herberg, waar Tena en Rondo op hen zitten te wachten.

‘Waar is Iljane?’

‘Dargo, I.k. We kwamen te laat, Iljane is dood.’

‘Wat?? Jakira. Wat is er gebeurd?’ stamelt Dargo vragend.

Jakira neemt een stoel en gaat aan een tafel zitten, de anderen nemen ook plaats en Quana vertelt wat er gebeurd is.

‘Zo te zien pakt dat monster ons een voor een aan,’ merkt Tena op.

‘Ja. Maar hoe kunnen we hem tegenhouden. Ik denk dat Iljane hem geraakt heeft, maar we weten niet hoe erg.’

‘En jij Sinaron, weet jij het niet.’

‘Nee, Ik werd als eerste aan mijn been geraakt en rolde door het gras. Toen ik recht kroop, hoorde ik haar doodskreet en ik zag alleen nog een schaduw van dat ding voor het verdween.’

‘Hoe zag hij eruit?’ vraagt Quana.

‘Zijn huid was glanzend zwart en zijn armen, die van vorm leken te veranderen, eindigden op vlijmscherpe punten. Een ervan raakte mij. Maar toch had in geluk, het is maar een schram.’

Op dat moment komen nog enkele anderen de herberg binnen en nemen plaats aan de tafels.

‘Hoe is het buiten, Kren,’ vraagt Dargo aan een van de dorpelingen.

‘Het wordt erger. Ik denk dat we weer zo’n zware storm krijgen. We hebben de schuur afgesloten. De soldaten van Dur Foarna bewaken de rand van het dorp, tot het te erg wordt.’

Opnieuw gaat de deur open en Kerto komt binnen. Als de Dari onze vrienden opmerkt stapt hij op hen toe.

Jakira kijkt even naar Quana, als ze de jongeman naar haar groenhuidige vriendin ziet lonken. Dan ziet ze Quana naar hem glimlachen.

‘Dat zal wel weer een hevige storm worden,’ zegt hij.

‘Ja, Kerto. Je kunt het beste naar je moeder terugkeren, voor de storm losbarst,’ raadt Jakira aan.

‘Misschien heb je gelijk. Maar i.ik.’

Jakira kijkt hem verbaasd, als de jonge Dari Sinaron verschrikt lijkt aan te kijken. De jongeman voelt echter iets, als hij Sinaron aankijkt.

Wat is dat?? Het lijkt wel alsof. nee, dat kan niet,’ denkt hij, maar zegt echter niets.

Dan draait Kerto zich plots om en loopt haastig naar de deur. Jakira staat recht en volgt hem. Maar als ze de deur opnieuw opent ziet ze hem al niet meer. Ze trekt haar schouders op en gaat terug aan de tafel zitten.

‘Ik vraag straks wel wat er was,’ zegt ze nadenkend.

‘Ik ga eens kijken naar de schuur.’

‘Wacht, Dargo. Ik ga met je mee.’

Een paar ogenblikken later loopt Sinaron naast Dargo naar de schuur toe. Dargo kijkt naar de lucht, die op dit moment een purperen gloed heeft. Plots schrikt hij als Sinaron roept:

‘He. Kijk, Dargo, wat is dat?’

‘Waar, Sinaron,’ vraagt Dargo.

‘Nu is het weg. Ik dacht dat ik naast dat huis daar een schaduw zag, maar.. Ga jij maar verder. Ik ga eens kijken.’

‘Moet ik niet meekomen, Misschien.’

‘Nee, Dargo. Het zal wel een dorpsbewoner geweest zijn, door de dichte regen kon ik het niet goed zien. Maar ik wil het toch zeker weten.’

‘In orde, tot straks.’

Terwijl Dargo verder gaat, trekt Sinaron zijn zwaard en sluipt op zijn hoede naar het huis toe.

In de herberg schrikt iedereen plots als ze buiten kreten horen. Snel lopen ze naar buiten. Snel lopen ze naar buiten en zien enkele soldaten naar een huis toe rennen

Quana houdt een soldaat tegen en vraagt:

‘Wat is er gaande?’

‘Ik weet het niet, maar er is iets met het huis waar de Dur ondergebracht is. Er zijn geruchten van een zwarte gedaante, maar niemand kan.’

‘Kom, Quana. We moeten snel zijn. Ik denk dat, dat monster opnieuw op pad is,’ roept Jakira en rent samen met Tena en Rondo verder. Quana volgt hen, terwijl ze haar zwaard trekt.

Als ze bij het huis aankomen, zien ze een groot gat in de muur.

‘Rondo, Tena. De andere kant. Snel,’ beveelt Jakira, terwijl ze gevolgd door Quana en enkele soldaten het huis binnendringt.

‘We zijn te laat, Jakira,’ fluistert Quana als ze twee gedaanten op de grond ziet liggen.

Plaats een reactie