1. De tempelwachters

Enkele uren later nadert het onopgemerkt zijn doel, de vierde planeet. Gedurende één omwenteling zweeft het schip vlak boven de dampkring. Dan duikt het in de bovenste lagen van de atmosfeer en daalt langzaam af naar de oppervlakte. Op sommige beeldschermen zijn beelden van het zonnestelsel zichtbaar en op andere rollen gegevens over het scherm. Maar er is geen levende ziel aan boord, om deze beelden te bekijken. Het schip zweeft boven een van de drie centraal gelegen continenten van de planeet, die later Enuron genoemd zal worden.

Hier leven mensen in een periode die met de Aarde uiterlijk overeenkomt als de vroeg Egyptische tijd. Maar technisch zijn ze meer vooruit. Ze kennen het gebruik van ijzer en andere metalen. De scanners vinden geen teken van leven in de omgeving van het doel. Langzaam en volledig geruisloos land het schip, diep in de nacht, in een klein dal. In één van de ruimen worden op mensen gelijkende robots geactiveerd.

Hun ogen lichten op en even later stappen ze met luidde stappen in de richting van de openschuivende deur. Een paar minuten later worden ze uit het niets stoffelijk op een tiental meter van het vreemde schip. In de omgeving beginnen ze met de hun opgedragen opdrachten, die zeer snel vorderen. Vlak voor het aanbreken van de volgende dag worden ze terug aan boord gehaald en het schip keert weer naar het complex op de maan van de zesde planeet.

In een groot dorp een paar kilometers van de plaats waar het vreemde schip landde, gaat het leven nog steeds zijn gewone gang. Geen enkele van de inwoners is op de hoogte van de op komst zijnde veranderingen. Tot twee weken later enkele jagers het dorp te voet verlaten. Ze lopen in de richting van het dal op zoek naar dieren om op te jagen, maar vreemd genoeg zien ze nergens geschikte prooien. Het lijkt wel alsof alle levende wezens hier weggevlucht zijn.

S’avonds slaat het groepje mannen en vrouwen ontmoedigd hun kamp op. In de tweede helft van de nacht schrikt een van de vrouwen plots wakker. Ze weet niet door wat, maar ze werd door iets gewekt. Het was alsof een vreemd wezen met blauwe lichtende ogen over haar gebogen stond. Ze voelde een kribbel achteraan in haar nek, toen het wezen haar aanraakte. Even tast ze naar de plaats waar ze het voelde, maar nu is er echter niets.

Plots hoort ze echter een stem:

‘Sta op, Joena. Jij bent toegelaten. Leid je vrienden naar hun bestemming.’

‘Wat??? Wie?’ stamelt de jonge vrouw.

Maar de stem zegt niets meer. Langzaam staat ze op, terwijl ze spiedend om zich heen kijkt. Maar nergens kan ze de vrouw zien waaraan de stem toebehoort.

‘Joena, wat is er? Kan je niet meer slapen,’ vraagt de krijger, die op wacht staat.

‘Ik weet het niet, maar ik hoorde iets vreemds.’

‘Toch niet gedroomd zeker.’

‘Nee, Daron. Het was geen droom. Wek de anderen.’

Even kijkt de bruinharige vrouw haar aan en trekt dan haar schouders op.

‘Is er iets, Joena,’ vraagt een andere krijger.

Maar Joena staat als verstijfd naar het noordoosten te kijken.

‘Teson, wat is er met Joena?’

‘Dat weet ik niet, Oengar. Ze staat daar maar te kijken.’

Oengar kijkt naar Joena en loopt dan op haar toe. Als hij haar arm wil vastgrijpen, doet ze plots een paar stappen vooruit.

‘Volg me,’ klinkt haar stem.

Ze kijken allen naar Joena, die zich van het kamp verwijdert in de eerste schemering van de ochtend. Aarzelend nemen ze hun wapens op en volgen hun stamgenote. Als ze een smalle doorgang tussen de bomen instappen, zijn ze op hun hoede en houden hun wapens stevig vast. Maar Joena loopt rustig verder, alsof ze de weg kent. Ze weten echter niet dat de jonge vrouw door een vreemde stem geleid wordt.

Plots zijn ze in een klein dal. In het midden ervan staat een vreemde tempel, vlak achter het meertje. Hij heeft van boven bekeken de vorm van een Pentagon, ongeveer vijfenveertig meter in doorsnede. In het midden is er een koepel, ook in de vorm van een Pentagon. Die steekt er ongeveer zeven meter bovenuit. Langs een zijde is er een grote dubbele deur, met aan de rand van het pad dat de hele tempel omgeeft een trap. Van uit deze trap vertrekt een pad van de tempel weg, dat langs beide zijde door bloemen versiert is. Zij blijven verbaasd staan en staren naar het vreemde ijsgroene gebouw. Alleen Joena loopt verder.

‘Wat is dat voor een bouwwerk, dat was er een tijdje geleden nog niet,’ merkt een vrouwelijke krijger op.

‘Dat klopt, Kagin, maar nu staat het er,’ zegt een krijger nadenkend.

‘Wie zou dat gebouwd hebben en waarom,’ vraagt een andere.

‘Misschien is het een soort tempel voor een of andere god. Misschien zelfs voor Taxala.’

‘Zou kunnen, maar wie weet of wij het ooit zullen weten.’

‘Misschien weet Joena het antwoordt. Zij heeft ons de weg gewezen.’

‘Hee, waar is ze?’ roept Oengar uit.

Ook de anderen kijken om zich heen, maar ze zien de vrouw niet meer.

‘Ik denk dat ze naar binnen stapte.’

‘Zeker van, Kagin.’

‘Ja, ze liep naar die grote poort toe.’

Oengar haast zich langs het pad naar de tempel toe, maar krijgt de poort niet open.

‘Ik denk dat je het mis hebt, Kagin. Deze deuren krijgen we niet open.’

‘Kom, laten we Oengar helpen, misschien krijgen we ze met ons allen open.’

Maar ook met de hulp van Teson en de anderen slagen ze er niet om de grote deuren te openen.

‘Keren we terug naar het dorp,’ vraagt een andere krijger.

‘Nee, we kunnen Joena toch niet aan haar lot overlaten.’

‘Als ze daarbinnen is, hoe gaan we haar dan helpen, Teson,’ vraagt Kagin.

Even kijkt de krijger naar de jonge vrouw en zegt dan.

‘Daron en Gania zetten een kamp op. Wij gaan naar Joena zoeken. Ze moet hier ergens zijn, Maar wees op jullie hoede.’

De krijgers stemmen in en verspreiden zich. Nieuwsgierig verkennen ze, op hun hoede, de nieuwe omgeving. Maar Joena vinden ze echter niet. Besluiteloos keren ze terug naar de plaats, nabij het meertje, waar Doran en Gania intussen hun kamp opgesteld hebben.

Ze weten geen van allen wat te doen, nu ze geen spoor Joena gevonden hebben.

‘Ze kan alleen maar in dat gebouw zijn,’ zegt Teson die even naar Kagin kijkt.

In een van de kelders van de tempel ligt Joena naakt op een metalen tafel. Twee gedaanten met blauwe ogen staan links en rechts van haar. Uit hun handen vloeit een blauwe gloed, die heel het lichaam van de jonge vrouw omgeeft.

Joena kijkt hen angstig aan, maar de stem uit het niets, hoort ze weer in haar hoofd zeggen:

‘Vrees niets, Joena. Dit onderzoek is nodig.’

Meer dan een uur gaat voorbij, terwijl Joena maar langzaam van haar angst bevrijdt wordt. De vreemde gedaanten trekken plots het vreemde blauwe licht terug en doen twee stappen achteruit. Joena richt zich op en kijkt de twee op mensen lijkende gedaanten nieuwsgierig aan.

‘Waar ben ik hier?’

De twee gedaante antwoorden echter niet, maar ik plaats daarvan hoort de vreemde stem weer:

‘Jij bent in de tempel van de krijgskunst, Joena.’

‘Waar zijn mijn kleren, onzichtbare.’

‘Die heb je niet meer nodig, Joena.’

‘Niet meer nodig. Ben ik dan dood.’

‘Nee, meesteres, je bent de eerste van je vrienden die tot de tempel kan toetreden.’

‘Toetreden tot de tempel. En als ik niet wil.’

Dat staat je vrij, Joena, maar dan kan ik je niet meer dienen. En u bent dan vrij om te gaan.’

‘En mijn vrienden, wat moet er met hen gebeuren.’

‘Ook zij zullen voor de keuze gesteld worden, Joena. De tempel heeft tempelwachters nodig.’

‘Kan ik met mijn vrienden praten.’

‘Zeker, Joena, maar er staat hen eerst een proef te wachten.’

‘Dat wil ik zien.’

‘Geen probleem,’ zegt de stem en activeert een paar schermen, waarop de omgeving te zien is.

Joena schrikt hevig, maar kalmeert al snel.

‘Wat is dat? Kunnen ze mij ook zien, vreemde.’

‘Nee, Joena. Later zal je veel uitgelegd worden, maar eerst gaan ze je gepaste kleding bezorgen.’

Joena schrikt even als een vreemde stof over haar naakte huid glijdt. Even later lijkt ze terug dezelfde kleding aan te hebben, die ze droeg toen ze in de tempel aankwam.

Intussen heeft de centrale computer een tiental witte robots, die in plaats van ogen een blauwe gloed hebben, die van links naar rechts en weer terug beweegt. In het dal is het intussen opnieuw morgen en de eerste zonnestralen schieten juist tussen de bomen door. Enkele witte gedaanten lopen doorheen de poort, alsof die er niet is. Ze vormen een rij, waarna ze op het meertje toestappen. De twee wachters merken in de ochtend mist een vreemd licht in de ingang van de tempel. Ze schrikken wel even als ze de witte gedaanten uit de tempel zien stappen.

Toch blijven ze toekijken. De onbekenden komen recht op hen af. Even kijken beide krijgers elkaar aan. Die springen snel recht en wekken snel de anderen. Drie krijgers schieten pijlen af op de onbekenden, maar deze blijven naderen.

‘Dat lijken wel geesten. Het lijkt wel alsof onze pijlen hen niet deren.’ merkt een krijger, met trillende stem, op.

‘Misschien zijn het geesten uit de onderwereld, die op onze zielen jagen,’ fluistert een jonge vrouwelijke krijger verschrikt.

‘Geesten of geen geesten. Maar mijn speer zal hen wel afschrikken,’ sist een forsgebouwde krijger.

Dan werpt hij zijn speer naar de vreemden, die op tien meter van hen bleven staan. Maar de speer lijkt doorheen één van de gedaanten te gaan en blijft trillend achter hem in een boom steken.

‘Kom, we maken dat we hier wegkomen,’ roept een van de krijgers.

‘Heb je angst, Oengar,’ sist een van de vier vrouwelijke krijgsters.

‘Jij niet, Kagin,’ grijnst een andere krijger.

Even kijkt ze de krijger aan en roept dan:

‘Weg hier.’

De krijgers draaien zich om. Maar als ze naar de beschutting van de bomen willen rennen, verschijnt plots een gedaante van een man voor hen.

‘Krijgers, vrees niets. Er is geen gevaar.’

De krijgers blijven staan en een van hen zegt:

‘Wie ben jij?’

‘Ik ben een dienaar zonder naam, vrouw. Mijn meester zal later wel uitleggen waarom, maar nu eerst iets anders. Jullie slaagden min of meer voor de test.’

‘Een test…’, vraagt een krijger.

‘Ik zoek dappere krijgers om de tempel te bewaken. Misschien zijn jullie geïnteresseerd.’

‘Misschien, maar we hebben andere taken, die veel belangrijker zijn.’

‘Ja, zoals de jacht. Dat kan nog altijd. Maar jullie dorpsgenoten zullen hier veel kunnen leren. Later kunnen ze als ze willen ook lid worden van de tempel.’

‘Klinkt niet slecht. Oengar,’ zegt een krijger.

‘Hera, mogen vrouwen ook als bewaker dienst doen,’ vraagt een vrouwelijke krijger.

‘Waarom niet. Jullie zullen allen een aangepaste training krijgen.’

‘Een training. We staan nu ook ons mannetje, onbekende,’ zegt één van de andere krijgers.

‘Zeker van. Val me eens aan,’ zegt de gevoelloze stem van gedaante, die even lichtjes doorzichtig wordt om dan weer ondoorzichtig te worden.

De krijger loopt op de vreemde vrouw toe en haalt uit met zijn speer. De vrouw duikt ze echter onderdoor en haalt uit met haar hand. Hij raakt de speer, die dadelijk breekt. De krijger laat het stuk van zijn speer vallen en trekt zijn bijl. De vrouw wijkt echter niet, maar buigt snel door haar knieën en haalt uit met zijn voet. De benen van de krijger worden onder hem weggeslagen en hij beland verbaasd op de grond. Langzaam staat hij recht en steekt zijn bijl weer weg.

‘Dat wil ik ook leren,’ zucht hij.

‘In orde, krijgers. Vanaf dit ogenblik maken jullie deel uit van de tempelwacht.’

‘Stop, vreemde. Wie zegt dat wij lid van uw vreemde tempel willen worden.’

‘Niemand, Teson. Jullie kunnen vrij kiezen.’

‘Waar is Joena? We kunnen haar nergens vinden,’ roept Oengar uit.

‘Je bedoelt deze jonge vrouw, die onbevreesd in de tempel stapte,’ zegt de vreemde vrouw, terwijl Joena naast hem materialiseert.

Joena kijkt de vrouw even verbaasd aan en merkt dat zij knikt. Dan richt ze haar blik op Oengar en plots rent ze naar hem toe. Beiden omarmen elkaar, terwijl hun lotgenoten toekijken.

‘We zullen er over denken, Vreemde.’

De man kijkt Teson recht in de ogen.

‘In orde. Ik wacht wel. Je weet waar ik te vinden ben, maar vergeet niet. Alleen Joena heeft voorlopig toegang tot de tempel. Zij alleen zal uw beslissing kunnen meedelen.’

Even kijken de jagers naar de plaats waar de gedaante van de vrouw stond. Maar zij en de tien andere witte gedaante zijn plots in het niets opgelost.

Het groepje neemt hun wapens op en ze lopen haastig in gedachten naar de uitgang van het dal. Alleen Joena is ongewapend, maar wordt door Oengar beschermd.

Een paar kilometer van het dal, hoort Joena plots de vreemde stem weer.

‘Geef je vrienden een teken. Er naderen een twintig tal krijgers. Ze komen echter niet in vrede.’

Joena blijft staan en fluistert:

‘In dekking, vijanden.’

Haar vrienden haasten zich tussen de bomen, maar merken dan dat Joena bleef staan. Maar het is te laat. De vreemde krijgers hebben de ongewapende Joena bemerkt en komen op hun hoede dichterbij.

‘Zo alleen een ongewapend, meid. Heb je geen angst,’ roept een van hen, terwijl enkelen om haar heenlopen.

‘Waarom zou ik angst hebben, krijger.’

Enkelen schieten in de lach.

‘Onder andere voor ons. Krijgers van Jor-kan.’

Even schrikt Joena, want ze heeft al van die Jor-kan gehoord. Zijn aanhangers staan bekend voor hun gewelddadig optreden en moordpartijen. Ze wist echter niet dat ze zich in deze streken bevonden.

‘Geen angst, Joena.’

De jonge vrouw voelt haar angst afnemen, al weet ze niet waarom. Ze staat hier ongewapend en alleen. Zelfs met de hulp van haar vrienden heeft ze geen kans, want ze zijn in de minderheid. Even denkt ze een gegiechel te horen en dan zegt de stem licht spottend:

‘Ongewapend, Joena. Geen probleem.’

Plots voelt ze iets in haar rechterhand bewegen en ze heft haar rechterarm omhoog. Voor haar ogen wordt een metalen zwaard gevormd.

‘Wat is dat?’

‘Iets wat voor mij geen probleem is, Joena.’

De zeven krijgers staren haar verbaasd aan, de anderen hebben niets gemerkt. Ook de vrienden van Joena hebben het wapen zien ontstaan. Ze kunnen hun ogen niet geloven, maar toch hebben ze het gezien.

Te laat zien ze dat een van de twee krijgers die achter de jonge vrouw staan, plots een mes naar de vrouw werpt. Ook Joena merkt niet, maar het wapen botst echter op een onzichtbare hindernis en valt half gesmolten op de grond achter de jonge vrouw. De twee staren verschrikt naar het mes.

‘Een tovenares,’ roept een van hen plots en wijkt achteruit.

Enkele krijgers springen echter naar voor en vallen Joena aan. Die vangt de slagen met haar zwaard en schild behendig op. Soms wordt ze echter wel geraakt, maar iets onzichtbaar vangt de slagen telkens op. De aanvallers deinzen echter achteruit. Plots grijpen ze de drie krijgers, die door het zwaard van de vrouw geraakt werden, tussen hen in en maken zich met de anderen uit de voeten.

‘Joena, hoe kan dat?’ vraagt Oengar, die als eerste tussen de bomen uitstapt.

‘Weet ik niet. Een onbekende helpt mij soms. Misschien heeft hij dat zwaard….’ zegt Joena, terwijl ze plots naar haar lege handen staart.

Het zwaard is weer verdwenen, alsof ze het nooit in de hand had.

‘De tempel. Zou die vreemde vrouw, jou deze macht gegeven hebben.’

‘Weet ik niet, maar die stem is niet dezelfde, als die van die in het wit geklede man.

Plots verschijnt de vreemde vrouw weer.

‘Je hebt gelijk, Joena. Die stem behoort aan een klein apparaatje dat je draagt. Dit apparaatje wordt Hypsoon genoemd. Zijn taak bestaat erin om zijn drager te helpen en te beschermen. Ook je kleren worden door je Hypsoon gevormd.’

‘Mijn kleren. Hoe?’

‘Dat is iets voor later, Joena.’

‘Waarom heeft Joena, dat vreemde ding gekregen? Ieder van ons zou zoiets wel kunnen gebruiken.’

‘Alleen de tempelwachters krijgen dit, Oengar. Als Joena besluit om tot de tempel van de krijgskunst te behoren, mag zij deze Hypsoon houden.’

‘En wij,’ zegt Teson.

‘Eerst moeten jullie een keuze maken, krijgers. Ik wil dat jullie vrij kunnen beslissen. Niemand wordt gedwongen.’

Even kijken de mannen en vrouwen elkaar aan. Enkele knikken al snel, waarna de anderen aarzelend volgen.

De vreemde knikt.

‘Volgende week begint jullie opleiding. Tot dan zijn jullie nog vrij. Twee van jullie moeten terug naar jullie dorp om mijn voorstel aan de dorpsraad mee te delen. De rest zet de jacht verder. Jullie mensen moeten ook eten.’

‘De jacht. Er zijn hier niet veel dieren meer.’

‘Joena zal jullie leiden. Haar Hypsoon kan dieren opsporen.’

Joena schrikt even als voor haar hoofd een beeld van de omgeving verschijnt. Op een vijfhonderdtal meter ziet ze verschillende stippen.

‘Gaan we,’ vraagt ze.

Teson kijkt nog een naar de naamloze vrouw.

‘Denk eens goed na en als jullie besluiten om deel uit te maken van de tempelwacht, kom dan over een paar dagen terug naar de tempel.’

Teson neemt afscheid van zijn vrienden en kijkt even naar de Tempel. Hij schrikt als hij merkt dat Kagin door de poort verdwijnt. Snel rent haar naar de tempel toe, maar kan niet binnen.

‘Wenst u ook toegang, Krijger Teson?’

Teson kijkt om en staart even naar de vreemde naamloze vrouw.

‘Ik wil naar Kagin en zij is in de tempel verdwenen.’

‘Alleen als je dit aanvaard dan kan je doorheen de toegang, Teson. Kagin heeft haar beslissing genomen en hoort nu tot de tempelwacht.’

‘Dat kan ze niet zo maar beslissen, naamloze.’

‘Ieder kan dat voor zichzelf doen, krijger. Ook jij.’

Even aarzelt Teson.

‘Ik wil eerst weten wat het doel is van de tempel, vreemde.’

‘Dit zal ooit de tempel van de vrede worden, Teson. Maar voor het zover is moet er nog veel werk verzet worden. Een tempelwachter verkrijgt een zekere macht, maar die mag alleen gebruikt worden om vrede en welvaart te brengen. Op deze planeet Herast de macht en de zucht naar rijkdom. Daar moet verandering in komen als jullie volkeren een toekomst willen hebben.’

‘En daar moeten wij voor zorgen.’

‘Voor een deel wel, Teson. Samen met de uitverkorenen.’

‘De uitverkorenen, wie zijn dat dan?’

‘Dat zal later wel duidelijk worden, Teson. Voorlopig zijn deze uitverkorenen daar nog niet bewust van.’

Teson kijkt naar de hypsoon in de hand van de vreemd en neemt het aarzelend aan. Even kijkt hij ernaar.

‘Het is een zware beslissing, krijger. En ik vrees dat jij misschien tegen je vriend zal moeten optreden, maar het zal moeten gebeuren wil mijn opdracht slagen.’

Teson schrikt van deze woorden en moet plots aan zijn vroegere vriend Sinaron denken. Even denkt hij aan hun jongere tijd, toen Sinaron, Kagin en hij gedrieën op jacht gingen. Maar dan viel de beslissing van Kagin die voor de zoon van de hoofdman bestemd was. Vanaf dat moment bekoelde zijn vriendschap met Sinaron. Teson is op Kagin verliefd en zij op hem. Sinaron, de zoon van de hoofdman, is de sterkste man van het dorp en is nog nooit door iemand verslagen

Teson drukt het Pentagon tegen de achterzijde van zijn hals en kijkt, terwijl het voorwerp van vorm verandert, de vreemde vrouw afwachtend aan. Die maakt een uitnodigend gebaar en Teson verdwijnt enkele ogenblikken later in de tempel.

Verschillende uren later stappen beiden weer door de deur naar buiten. Even kijken ze elkaar aan en voelen zich gelukkig nu ze beiden hun nieuwe weg gekozen hebben. Maar toch hebben ze een zekere angst voor het moment dat ze voor Sinaron zullen staan.

‘Kom, laat ons gaan, Teson. We moeten doen wat gedaan moet worden. Hoe sneller hoe beter.’

Teson kijkt Kagin na, als ze in de richting van het dorp stapt. Hij haalt zijn schouders op en volgt haar dan maar.

Als beiden het dorp naderen, zien ze plots Sinaron opduiken.

‘Jullie alleen. Wat is er met de anderen?’ sist hij vragend.

‘Die zijn op jacht, Sinaron.’

‘En jullie twee, waarom zijn jullie samen. Je weet toch dat Kagin voor mij bestemd is.’

‘Volgens de gebruiken ben ik van jou na het ritueel, maar mijn hart behoort aan Teson.’

Teson schrikt als hij haar woorden hoort. Het is de eerste maal dat ze zo hard tegen haar toekomstige man praat. Ook Sinaron schrikt ervan.

‘Jij hebt niet te willen, Kagin. Het is de wil van de goden. Je weet wat je te wachten staat als je weigert.’

‘Ja, Sinaron. Dan wordt ik verbannen en mijn famillie verliest al hun bezittingen.’

‘Dan moet je toch beseffen dat je zo niet tegen mij kan praten.’

‘Sinaron. Ik smeek je. Laat me vrij uit vrije wil.’

‘Dat zal niet gebeuren. Ooit was Teson mijn beste vriend, maar toen hij naar jou begon te verlangen, werd hij mijn vijand. En jij zult de heilige wetten moeten gehoorzamen.’

‘En als ik dat niet wil, zoon van de hoofdman. Ga je mij dan dwingen en zodat wij beiden voor de rest van ons leven ongelukkig zijn.’

Sinaron kijkt met toenemende woede aan en dan valt zijn blik op Teson, die beseft dat Kagin verandert is. Teson schrikt hevig als hij Sinaron woedend op zich ziet toe lopen en duikt snel voor zijn slag opzij. Sinaron loopt hem achterna, maar Kagin gaat voor Teson staan. Sinaron haalt uit, maar schrikt als hij de stem van zijn vader hoort zeggen.

‘Sinaron, behandel jij je toekomstige vrouw zo. Misschien ben jij haar dan toch niet waart.’

Dadelijk laat hij zijn arm zakken.

‘Het spijt me, Kagin. Ik werd woedend omdat jullie samen…’

‘Laat maar, Sinaron. We hebben als broer en zus naast elkaar gejaagd. Ik vergeef je. Maar ik heb reeds beslist om mijn leven aan andere dingen te wijden. Ik en Joena zijn de eersten die tot de nieuwe tempel van de krijgskunst zijn toegetreden. Over enkele dagen kunnen andere krijgers ook toetreden als ze dit wensen. Misschien wil jij ook bewaker worden.

‘Bewaker van de tempel. Wat bedoel je?’ vraagt Sinaron verbaasd.

Teson en Kagin vertellen wat er gebeurd is. Het loopt al tegen de avond als de jagers terugkeren en aan het eetmaal deelnemen.

De volgende dag, heel vroeg in de morgen naderen zestien krijgers de tempel. Joena loopt als enige doorheen de poort van de tempel.

Teson, Kagin en Sinaron lopen achter Joena voorop. Sinaron die haastig achter de vrouw wil door de poort stappen, botst tegen de poort en wankelt achteruit.

Gedurende verschillende minuten staan ze naar de poort te kijken. Plots komt Joena glimlachend weer naar buiten. Als ze blijft staan zien ze de vrouw uit het niets, naast Joena, materialiseren. Even kijkt hij de acht vrouwen en zeven mannen aan en vraagt dan:

‘Joena heeft haar beslissing genomen. En jullie, zijn jullie bereid.’

De krijgers knikken.

‘Wat heeft de dorpsraad beslist?’

‘De krijgers die wilden mochten vrij kiezen, maar de inwoners van het dorp willen niets te maken hebben met een tempel van een of andere god,’ zegt Sinaron.

‘Dit is geen tempel van een god, maar van de krijgskunsten,’ zegt de naamloze.

‘De meeste mannen durfden niet, daarom zijn wij vrouwen dan maar in hun plaats gekomen,’ lacht Asana, een van de twee brunettes.

De andere jonge vrouwen glimlachen, maar de onbekende gaat er niet op in.

‘In orde, we zien later wel. Volg mij,’ zegt de vrouw zonder naam.

De mannen en vrouwen kijken elkaar even aan en volgen haar dan de tempel in. In de inkomhal staan twee, één meter hoge, zuilen op een verhoog. De groep loopt er omheen en volgt de brunette naar achter, waar een aantal vertrekken zijn. De deuren schuiven tot de verbazing van de krijgers automatisch open, ook de lichten gaan na een stemcommando aan en uit.

‘Wat is dit voor tovenarij,’ fluistert Oengar.

‘Geen tovenarij, maar techniek. Krijger,’ zegt de vreemde vrouw streng.

‘Wat is dat, techniek,’ vraagt Teson.

‘Dat zullen jullie wel leren, nadat jullie de training volbracht hebben.’

Sinaron kijkt de vreemde aan en wil iets vragen, maar deze gaat verder.

‘Kies ieder maar een kamer uit, vrouwen langs de linkerkant de mannen langs de rechter.’

‘Dat niet, vreemde. Ik en Joena zijn een paar,’ merkt een krijger op, terwijl hij naar een jonge amazone wijst.

‘Wij ook,’ zeggen twee anderen op dat moment.

‘Kagin is voor mij bestemd, behalve als iemand mij verslaat,’ zegt Sinaron.

Even kijkt de vreemde naar beide paren en dan naar Sinaron, maar communiceert intussen met de centrale computer van het complex.

‘Vrouwen links en mannen rechts, luiden mijn bevelen. In jullie vrije tijd doen jullie wat jullie willen, maar voorlopig heeft ieder een eigen kamer,’ zegt de vreemde plots.

De krijgers trekken hun schouders op en doen wat hun gezegd wordt.

‘Op de bedden liggen kleren van de tempelbewakers. Trek ze dadelijk aan en kom dan weer naar de inkomhal,’ zegt de vreemde en lost plots voor hun ogen in het niets op.

De mannen en vrouwen doen aarzelend wat hen gezegd wordt. In de kamers zien ze echter alleen een klein voorwerp op het bed liggen, dat de vorm heeft van een Pentagon.

Asana neemt het op en staart er even, niet wetend wat te doen, naar. In de andere kamers is hetzelfde gaande. Kagin is de laatste die het opraapt en fluistert:

‘Wat nu weer? Waar zijn de kleren?’

‘Je houdt ze vast,’ zegt een stem plots.

Kagin kijkt om zich heen, maar ziet niemand. Dan valt haar blik weer op het kleine op een Pentagon gelijkend voorwerp en beseft dat, dat ding, tegen haar gesproken heeft.

‘Druk mij tegen de achterkant van je hals,’ klinkt de stem weer.

Aarzelend doet Kagin het en voelt het ding van vorm veranderen. Ze tast er verschrikt naar de plaats waar ze het plaatste, maar het is bijna niet te voelen.

‘Kleed je uit, Kagin,’ zegt het ding plots.

‘Wat? Mij uitkleden,’ schrikt ze.

‘Ja, en snel, want enkele van je vrienden staan al in de gang te wachten.’

Aarzelend doet Kagin wat haar gevraagd wordt en kijkt naar haar lichaam in de spiegel. Dan schrikt ze hevig. Een vreemde stof kruipt vanuit haar hals over haar lichaam tot ze een nieuwe kledij aan heeft.

‘Niet mis,’ fluistert ze als ze de stem hoort zeggen.

‘Zo, wat vindt je ervan, meesteres.’

Even paar ogenblikken later verlaat ze haar kamer en merkt dat de anderen haar al opwachten. Allen zijn ze hetzelfde gekleed en kijken haar lachend aan. Iedereen heeft een nauwsluitende groenblauwe overal aan. Alleen de vrouwen hebben een minirokje in plaats van een lange broek.

‘Daar ben je wel even van geschrokken niet,’ grijnst Sinaron, terwijl hij even naar de slanke benen van Kagin kijkt.

‘Zeker, dat had de tempelmeesteres wel mogen zeggen,’ merkt Oengar op.

‘Niet alleen de tempelmeesteres. Ik kon dat ook, maar wilde even genieten van jullie verbaasde gezichten,’ lacht Joena.

‘Heb jij al langer zo’n vreemd ding in je hals.’

‘Al van toen ik in de tempel was, lieveling.’

‘Kom, we gaan naar de hal,’ zegt Teson, die zijn blik bijna niet van Kagin kan afhouden.

Sinaron werpt hem een woedende blik toe, maar volgt hen toch naar de hal. De naamloze man wacht hen daar op.

‘Zo, dat is al beter. Voor de rest van de dag zijn jullie vrij, maar morgen begint de training. Teson en Sinaron komen nu met mij mee.’

Beide jongemannen kijken elkaar verbaasd aan en volgen de vrouw dan tussen de zuilen. Voor de ogen van de anderen zijn ze plots verdwenen. Kagin schrikt en loopt naar de zuil toe. Voorzichtig loopt ze ook tussen de zuilen door, maar er gebeurt echter niets. Sinaron en Teson materialiseren op dat moment in een vreemde omgeving. Ze bevinden zich in het complex op de maan van de zesde planeet. Geen van beide mannen weten echter dat ze niet meer op hun eigen planeet zijn. Verbaasd kijken ze de vrouw aan.

‘Waar zijn we?’, vraagt Teson.

Maar de vrouw zegt niets tot zij zich na een minuut plots naar hen omwendt.

‘Sinaron, jij wilt Kagin, maar je houdt niet van haar. Teson wel en zij houdt van hem, dat weet je.’

Sinaron kijkt de gedaante even aan en voelt de woede weer in zich opkomen.

‘Vroeger waren jullie vrienden. Jullie moeten er alles voor doen om die vriendschap te bewaren. Ik heb jullie allebei nodig om mijn taak tot een goed einde te brengen,’ zegt de naamloze.

Maar Sinaron luistert al niet meer. Met gebalde vuisten loopt hij naar Teson toe. Plots botst hij echter tegen iets onzichtbaars en valt op zijn achterste.

‘Krijger, ik duld hier geen gevecht,’ zegt de naamloze.

‘Wat was dat voor iets?’, stamelt Sinaron, terwijl hij rechtstaat.

Voorzichtig tast hij naar de vreemde hindernis. Zijn hand voelt een tinteling als hij deze aanraakt. De naamloze lijkt even te grijnzen.

‘Sinaron. Ik heb een taak voor jou en Teson.’

Verbaasd kijkt Sinaron om, terwijl hij zijn woede voelt wegzinken.

‘Teson, jij zult de leiding van de tempelbewakers op jou nemen. Sinaron, jou broer zal later dorpshoofd worden en jou volk leiden naar hun nieuwe bestemming.’

‘Mijn broer. En ik dan,’ roept Sinaron uit.

‘Ik heb een andere belangrijke taak voor jou. Alleen zal je, je vrienden moeten achter laten. Ook Kagin.’

‘Ik moet Kagin achterlaten. Nee, dat is onmogelijk. Ik.’

‘Diep in je binnenste weet je, dat Teson en Kagin elkaar toebehoren. Zet jou trots opzij, Sinaron.’

Sinaron wil eerst kwaad reageren en slikt even.

‘Wens je Kagin en een leven in de hel of wil je een leven vol geluk en liefde,’ vraagt de naamloze.

Sinaron kijkt hem aan, maar beseft toch ergens dat de naamloze gelijk heeft. Hij weet dat Kagin en zijn vroegere vriend Teson op elkaar verliefd zijn. Als hij haar tot vrouw zou nemen, zelfs dan zou ze nog niet bij hem horen, beseft hij. Voor het eerst dringt dat hem door.

‘Wat ben ik een idioot,’ denkt hij, terwijl hij even een blik naar Teson werpt.

Als hij opnieuw naar de naamloze kijkt, is er iets diep in hem veranderd. Dan vraagt hij:

‘Welke taak?’

Maar hij krijgt geen antwoord.

Op dat moment worden ze beide weer in een blauw veld gehuld en even later staan ze beiden weer tussen de zuilen in de tempel. Hun lotgenoten kijken hen verschrikt aan. Sinaron blijft staan en kijkt met een vreemde blik naar Kagin. Zijn gedachten dwarrelen door elkaar.

Wat nu,’ denkt hij, terwijl hij naar de voeten van Kagin blijft staren.

Dan neemt hij plots een besluit en kijkt Kagin in de ogen. Teson loopt op Kagin en de andere jagers toe, maar blijft staan als hij de waarschuwende blik van de jonge vrouw ziet. Toch reageert hij te laat. Sinaron is hem gevolgd en duwt hem plots opzij. Bijna valt de krijger de grond, maar hij kan zich tijdig op de been houden. Sinaron grijpt de hand van Kagin en kijkt haar aan. De jonge vrouw kijkt hem verschrikt aan en fluistert:

‘Nee, Sinaron. I.k.’

Maar de jongeman draait zich naar zijn rivaal toe. Teson heeft zich hervat en grijpt zijn zwaard stevig vast.

‘Sinaron, wat… Wil je het hier uitvechten,’ stamelt hij.

De jonge krijger doet alsof hij niets gemerkt heeft en kijkt opnieuw naar Kagin. Gedurende een minuut kijkt hij haar aan. Het lijkt wel alsof zijn blik haar wil doorboren. Plots merkt Kagin dat hij glimlacht. Opgelucht zucht ze als ze merkt dat hij geen aanstalten maakt om zijn wapen te trekken. Verbaasd ziet ze hem knipogen en laat zich naar hem toetrekken. Hij slaat zijn armen om haar heen en drukt haar tegen zich aan, maar ze voelt dat er iets veranderd is. Sinaron kust haar niet, zoals vroeger, toen hij Teson wou laten zien dat ze voor hem bestemd was.

Plots duwt hij haar op armlengte van zich af en kijkt diep haar in haar ogen. Weer ziet ze hem glimlachen, voor hij zijn rechterarm om haar schouders slaat en zich omdraait. Dan richt hij zijn blik op zijn vroegere vriend. Samen lopen ze op Teson toe. Deze staat nog steeds uitdagend te wachten.

Even kijkt Sinaron naar de krijger en glimlacht:

‘Teson, laat ons weer vrienden zijn. Ik schenk je Kagin tot bruid of het zou moeten dat ze mij boven jou verkiest.’

Zijn vroegere vriend kijkt hem even verbaasd aan en ontspant zich. Dan doet hij een stap vooruit, terwijl Sinaron Kagin los laat. Dan schudden beiden elkaars hand. Kagin kijkt hem verbaasd aan, Dan stapt ze naar Sinaron en drukt een kus op zijn rechter wang.”

‘Ik dank je, Sinaron. Ik hoop dat ooit een meisje zult vinden die jou waardig is,’ lacht ze.

Dan loopt ze op Teson toe, die haar in zijn amen neemt. Sinaron kijkt naar hen, maar hij toch voelt zich opgelucht. Het lijkt wel alsof een zware last van zijn schouders weggevallen is.

De volgende dag start het begin van hun maandenlange training, waarbij ze vele nieuwe dingen leren. Dagelijkse dingen, gevechtstechnieken en ook het gebruik van vreemde wapens. Intussen gaat het complex verder met zijn programma. Drie maanden vliegen voorbij. Sinaron, Teson en Kagin rijden te paard naar het dorp toe, waar een groot feest voorbereid wordt.

Tot de verbazing van zijn vader geeft Sinaron, Kagin tot bruid aan Teson. Hij is kwaad, maar zijn zoon heeft dat recht. In de vooravond stijgt zijn zoon op zijn paard en rijdt het dorp uit. Zijn vader en broer kijken hem na, want ze denken dat hij al spijt heeft van zijn daad. Maar het tegendeel is waar. Sinaron rijdt naar het grote meer en kijkt gelukkig over de wateroppervlakte.

Intussen is het feest nog steeds in volle gang. Maar ook Teson en Kagin rijden na afscheid genomen hebben van hun ouders en familie weg in de richting van de tempel. Als ze ongeveer halfweg zijn, kijken beiden elkaar aan en plots buigen ze naar elkaar toe. Voor het eerst als man en vrouw, volgens hun gebruiken, kussen ze elkaar. Als ze elkaar los laten, kijkt Kagin haar man met verlangende ogen aan. Dan wend ze haar paard en rijdt in de richting van de bomen links van hen.

Teson glimlacht en volgt haar. Hun paarden versnellen hun pas en in galop rijden ze naar de bomen toe. Langs een smal pad, dat Kagin al lange tijd kent bereiken ze een open plekje, waar ze snel van haar paard springt. Teson houdt ook zijn paard in en beland op zijn voeten op de grond. Elkaar aankijkend kleden ze zich langzaam uit en bleven elkaar even aankijken. Dan loopt Teson op haar toe en voor hij het beseft werpt Kagin haar armen om zijn hals en kust hem met al het vuur dat ze in haar heeft.

Vele uren later naderen beiden, terwijl Kagin voor Teson op het paard zit, de tempel. Sinaron en Joena staan hen op te wachten. Even voelt Sinaron spijt, maar dan helpt hij Kagin van het paard.

Op een dag klinkt het alarm door de tempel. Verbaasd kijken de krijgers die zich in de ontspanningszaal bevinden elkaar aan. Als ze, samen met enkele anderen in de inkomhal aankomen, kijken ze naar hun vrienden, die van wacht zijn. Maar ook zij, weten niet wat er gaande is. Alleen Sinaron die al een paar uur onrustig is, al weet hij niet waarom, vermoedt dat er iets op til is. Dan verschijnt de vreemde gedaante weer in het midden tussen de twee zuilen. Even kijk hij rond en richt zich dan tot de krijgers.

‘Teson, jullie dorp wordt aangevallen door een bende rovers. Ze hebben onze hulp nodig. Neem Sinaron, zijn broer Karon en vijf anderen mee.’

Terwijl de gedaante verdwijnt, wijst Teson vijf krijgers aan en zegt:

‘Snel naar de paarden.’

Enkele minuten later rijden acht ruiters naar het zuiden en dat ze al snel bereiken. In de omgeving van het dorp houden ze halt. Teson merkt dadelijk op dat Sinaron niet meer bij de groep is en trekt zijn schouders op.

‘Activeer de schilden,’ beveelt Teson, terwijl hij zijn zwaard trekt.

Uit zijn linker armband schuift een zilverenkleurige stof en vormt een rond schild. In het midden staat het symbool van de tempel. Dan geeft Teson het sein.

Sinaron bereikt op dat moment het oostelijk deel van het dorp en activeert ook zijn zilverkleurig schild. Enkele rovers merken hem op als hij stapvoets naderbij komt. Sinaron ziet enkele dode dorpelingen liggen en schrikt als hij het lichaam van zijn vader opmerkt. Hij hangt tussen twee palen vastgebonden en is met bloed overdekt. Zijn ogen staren zonder iets te zien naar de grond.

‘Moordenaars,’ sist Sinaron.

De rovers schrikken van het geluid van zijn stem. Dan geeft hij zijn paard de sporen en rijdt naar het dorp toe. Twee van de vier rovers vallen onder zijn zwaard, een derde wordt zwaargewond en valt van zijn paard. De laatste verliest zijn zwaard, als Sinaron het uit zijn hand slaat, terwijl hij verder het dorp instormt. Hij merkt enkele rovers op, die een hut plunderen. Snel springt hij van zijn paard en sist:

‘Bereid je voor op de dood, moordenaars.’

Verrast kijken de rovers naar hem en dan naar elkaar.

‘Heb je wel eens goed naar de verhoudingen gekeken, gewapende boer. Wij zijn dik in de meerderheid’

Op dat moment rijden Teson en zijn mannen het dorp langs de zuidkant binnen storten zich op de rovers. Die zien al snel hun meerderheid, tijdens het hevige gevecht, slinken. Ze proberen zich terug te trekken.

Sinaron denkt aan zijn vader, terwijl hij zich tegen de rovers verdedigt. Ze waren met zeven, maar twee van hen liggen al dood op de grond.

‘Wie is jullie leider?’, vraagt Sinaron dreigend.

‘Wie vraagt dat?’, klinkt een zware stem achter hem.

Sinaron wijkt naar links uit en richt zijn blik op de middelste van de drie mannen die achter hem opdaagden.

‘Mijn naam is Sinaron. Wie ben jij?’

‘Jor-kan, boer.’

‘Vergissing, rover. Ik ben een tempelwachter en dit dorp staat onder onze bescherming.’

‘Een tempelwachter. Welke tempel, boertje,’ sist hij.

‘Jullie daar… jaag zijn vrienden naar de eeuwige jachtvelden. Wij geven deze idioot wel een lesje voor we hem achter zijn vrienden aansturen,’ beveelt hij Jor-kan.

Terwijl zijn mannen zich verwijderen, loopt Jor-kan met zijn twee lijfwachten op Sinaron toe. Dan haalt hij uit met zijn zwaar bijl, maar Sinaron weert het af met zijn schild. Even is de hoofdman verbaasd. Op het schild is zelfs geen kras te zien. Maar dan haalt hij opnieuw uit. Het zwaard van Sinaron slaat de steel in stukken en het zware bijl boort zich een paar meter verder in de grond. De hoofdman stapt, ontstelt achteruit en zijn twee lijfwachten storten zich op de krijger. Sinaron dood een van de twee in een kort maar hevig gevecht. De tweede heeft geen zwaard meer. Zijn zwaard is door dat van de tempelwachter gebroken. Jor-kan heeft intussen zijn zwaard getrokken en valt opnieuw aan.

Intussen hebben de mannen van Teson de strijd gewonnen. Ze haasten zich naar de plaats van Sinaron’s gevecht toe. Enkele dorpsbewoners bewaken de zestien gevangen, die zich overgaven.

Sinaron slaat met zijn schild het zwaard van Jor-kan opzij, terwijl zijn zwaard een stuk van het schild van zijn tegenstander snijdt. De man schrikt, maar valt dan in alle hevigheid aan. Sinaron moet achteruit wijken, tot hij met een snelle beweging de rechterschouder van zijn tegenstander doorboord. Jor-kan moet zijn zwaard laten vallen en werpt zijn schild opzij. Snel grijpt hij een dolk uit zijn riem en werpt deze bliksemsnel naar zijn tegenstander. Sinaron heeft het echter gemerkt en zijn zwaard raakt de dolk even, waardoor die recht op Jor-kan toevliegt. Deze probeert de dolk te ontwijken, maar is niet snel genoeg. Het vlijmscherpe wapen boort zich in zijn linkerschouder. Machteloos moet hij zich laten opsluiten, samen met de laatste overlevenden van zijn bende.

Een paar dagen later keren Sinaron en Karon terug voor de begrafenis van hun vader en de gevallen dorpsbewoners. De rovers zijn intussen al door soldaten van de koning opgehaald om voor de rechter in de hoofdstad gebracht te worden. Na het doodsritueel neemt Karon de plaats in van zijn vader en roept de dorpsraad samen. Een paar uur komt Karon weer naar buiten, gevolgd door enkele anderen.

‘Sinaron, ik en de anderen dorpsleden hebben besloten op ons bij de tempelmeesteres aan te sluiten op voorwaarde dat het dorp de bescherming van de tempel geniet.’

‘Dat was al eerder afgesproken, broer. Dit dorp behoort tot het machtsgebied van de tempel,’ zegt Sinaron.

‘Dan zal ik verkenners naar bevriende dorpen sturen, misschien sluiten zij zich ook aan. Samen kunnen we de streken dan veiliger maken, voor de dorpen en reizigers.’

Sinaron kijkt zijn broer aan, maar zegt:

‘Wacht daar nog even mee, Karon. Het lijkt me beter om de tempelmeesteres hiervan op de hoogte te brengen. Misschien vindt hij het nog te vroeg.’

Even denkt Karon na en zegt:

‘In orde, Sinaron. Vraag het hem en laat het dan weten.’

‘Ik zal het doen, broer. Veel geluk met je nieuw leiderschap,’ lacht Sinaron en stijgt op zijn paard.

Dan keert hij alleen terug naar de tempel. Als hij de tempel bereikt stijgt hij van zijn paard en geeft de teugels aan een wachter. Terwijl deze het paard naar de stallen brengt, stapt Sinaron de tempel in. Zodra hij binnen is, stapt hij in de lichtboog en bevindt zich even later op een andere plaats. De scanners van het complex scannen nog steeds over de planeet op zoek naar geschikte kandidaten. Nadat Sinaron verslag uitgebracht heeft, keert hij terug naar zijn vrienden de training verder te zetten.

De tijd vliegt voorbij tot op een dag.

Op een scherm in de centrale verschijnen een honderdtal lichtende puntjes. Op elk punt heeft de scanner ontluikende esperkrachten opgespoord. Naar elk punt stuurt hij telkens twee robots, die de inboorlingen de witte spoken noemen. De meeste zijn echter zwakke sporen, maar sommige plaatsen zijn het groeiende krachten. Een aantal zijn al jonge kinderen, anderen staan op het punt geboren te worden.

Het dorp Afkon, ongeveer honderd zestig kilometer van de tempel is het volgende doel. Hier woont het gezin van Nikita. Zij draagt het kind van een oude Lunoriaanse vrouw, Chin-li genaamd. Alleen weet de Enaarse vrouw niet dat het haar eigen kind niet is. De embryo werd aan boord van de basis op de maan in het lichaam van Nikita ingebracht, omdat de moeder een dodelijke ziekte opgelopen had. Maar zelfs de echte moeder wist niet hoe belangrijk deze embryo was. De kleine kruiser, met de kentekens K-2 op de romp, dematerialiseert in zijn hangar en materialiseert nabij de baan van de vierde planeet. Dan zet hij koers naar de vierde en gaat in een baan er omheen vliegen. Twee robots van de kruiser materialiseren aan de rand van het bos, dat langs de westkant het dorp ligt. Snel doen de scanners hun werk en al na een paar minuten, vinden ze wat ze zoeken. Het is al na middernacht, als ze geruisloos tussen de houten huizen doorlopen. Iedereen is in een diepe slaap gewikkeld.

Ook wachters zien hen niet omdat ze hun deflectors ingeschakeld hebben. Hierdoor zijn ze onzichtbaar. Ze dringen de hut binnen waar hun doelwit slaapt en gaan elk aan een andere zijde van het bed staan, waarin een vrouw en haar man liggen. Dan worden beiden in een blauwe gloed gewikkeld, die uit de ogen van de twee robots komt. Plots zijn ze verdwenen en beide robots worden weer onzichtbaar.

In de kruiser van het complex wordt de zessentwintigjarige zwangere vrouw onderzocht. De gegevens, die de computer verzamelt, wijzen uit dat het kindje een zeer hoge esperwaarde bezit. Dadelijk neemt de logische sector van de computer een beslissing. Het kindje van Chin-li zal deel uitmaken van de eerste groep van acht uitverkorenen. De genetische structuur van deze embryo moet echter niet aangepast worden. Haar ontwikkeling is al veel verder gevorderd dan deze primitievelingen op deze planeet.

Na het onderzoek dat ongeveer drie uur duurde, wordt de jonge vrouw wakker. Ze ligt op een tafel. Langzaam richt ze zich op en ziet plots nog meerdere vrouwen liggen op andere tafels, die naast haar bed op een rij staan. Er zijn er ook bij met een andere huidskleur. Van sommigen heeft ze al gehoord, maar van een ras met een bijna rode huidskleur heeft ze nog nooit gehoord. Bij de laatste tafel waar jonge vrouw op ligt, blijft ze opnieuw staan. Deze vrouw heeft een huid dat lijkt op een vel van luipaard. Nadenkend en nieuwsgierig loopt ze tot naast het bed en heft het laken omhoog.

‘Waar komt die vandaan? Heel haar lichaam is zo,’ fluistert ze.

Plots schrikt ze en laat het laken los. De vrouw heeft haar ogen geopend en kijkt haar aan. Ze lijkt iets te willen zeggen, maar Nikita hoort niets. Even ziet ze de pupillen van de vrouw van hun zwarte kleur in een fel gele kleur veranderen.

‘Wie ben je?’, vraagt Nikita met trillende stem.

De vrouw opent haar mond en stamelt iets dat Nikita niet kan verstaan. Dan draait ze draait haar hoofd, zodat ze weer naar het plafond kijkt. En even later vallen haar ogen dicht.

Tegenover haar staat ook een rij bedden. Daar liggen mannen op. Langzaam staat ze op en loopt op het bed dat aan de andere kant staat. Hier ziet ze Loron, haar man, liggen. Ze probeert hem wakker te maken, maar het lukt haar niet.

Dan schrikt ze opnieuw. Ze keek langs de rij bedden naar de muur en daar ziet ze twee vreemde gedaanten staan. Allebei hebben ze het uiterlijk van een mens, maar hun ogen stralen een blauw licht uit. Een van hen komt dichterbij en ze hoort zijn stem:

‘Vrouw Nikita, ga terug liggen. U bent hier veilig, tot u naar uw dorp terug gebracht wordt.

‘Hoe… Wie zijn jullie?’

‘Dat hoeft u niet te weten. Als het nodig is, zal het je later wel uitgelegd worden.’

Nikita loopt terug op haar bed toe en gaat op haar rug liggen.

‘Waarom zijn wij hier?’

‘Later. Misschien.’

‘Laat maar, vreemde. Ik kom toch niets te weten.’

‘Nee, dat behoort niet tot mijn programma.

‘P.programma. Wat.’

‘Dat is niets voor u. U kunt beter gaan slapen. Over twee dagen wordt je terug wakker in jullie dorp,’ zegt de vreemde en plots schiet een blauwe straal uit zijn ogen, die de vrouw omhuld.

‘Twee dagen,’ zegt Nikita nog, maar dan valt ze in een diepe slaap.

Achtenveertig uur later worden ze allebei vroeg in de ochtend wakker. Ze kijken om zich heen en zien de hun vertrouwde omgeving van hun huis. Nog steeds niet op hun gemak kijken ze elkaar aan en kussen elkaar. Bij het ontbijt vertelt ze over de vreemde droom die ze had. Verbaasd luistert haar man naar haar verhaal, want sommige delen van haar droom kwamen ook in die van hem voor. Hij was echter alleen toen hij even tot bewustzijn kwam.

‘We kunnen beter niets tegen onze dorpsgenoten zeggen, ook niet tegen onze vrienden. Wie weet wat ze van ons zullen denken.’

‘Je hebt gelijk, schat. Wat een leven zou ons kindje dan hebben,’ zegt Nikita.

Al kost het hun wel enige moeite om erover te zwijgen, maar toch gaan hun dagelijkse taken verder hun gewone gang.

Enkele maanden later wordt hun kindje Jakira geboren. Luron wacht met Junzo, zijn vier jaar oude zoon, buiten hun huis. Plots horen ze een huilende baby en een paar minuten later verlaat de dorpsdokter samen meteen paar vrouwen het huis. De dokter knikt Luron toe.

‘Je hebt een flinke dochter, Luron,’ zegt hij lachend.

Luron neemt de hand van zijn zoontje en stapt de hut binnen.

Op hetzelfde moment zijn Sinaron en zijn vrienden aan het trainen in het complex. Plots verschijnt er een half doorzichtige man uit het niets.

‘Krijger Sinaron, neem afscheid van uw vrienden. U moet zich in de centrale melden voor een belangrijke opdracht.’

Sinaron haast zich naar de kamer van Teson en merkt dat Kagin bij hem is. Even aarzelt hij, maar dan loopt hij op hen toe.

‘Ik moet weg, vrienden. Onze vreemde weldoener heeft een nieuwe opdracht voor mij.’

‘Wat? Waarheen,’ vraagt Kagin.

‘Dat weet ik niet, maar ik zal jullie wel terug zien voor ik vertrek,’ lacht Sinaron en haast zich dan naar de centrale.

Teson en Kagin kijken nog even naar de gesloten deur en lopen dan naar buiten. Maar hun vriend is al niet meer te zien. Als Sinaron een tijdje later uit de overbrenger stapt, blijkt hij in een vreemde omgeving te staan. Er staan minstens twintig bedden op twee rijen.

‘Dit is de centrale niet’, fluistert hij.

‘Sinaron. Kleed u uit en ga in een van die bedden liggen.’

‘Wat, Hera. Waarom?’

‘Het is nodig om u voor te bereiden voor uw nieuwe taak.’

‘Waarom ik? Er zijn.’

‘Toch niet. Jij behoort tot het kleine aantal mensen met sluimerende esperkrachten.’

‘Esperkrachten. Ik, naamloze. Nee, da.’

‘Toch wel, Sinaron. Je hebt zwakke telepathische gaven. Daardoor wist jij wat er met uw vader gaande was. Alleen niet bewust. Toch ging jij alleen in de juiste richting. Nog voor het alarm voelde jij je al onrustig al wist je niet waarom. Maar de rapporten wezen uit dat op het moment dat je de eerste onrustige gevoelens kreeg, je vader door Jor-kan aangepakt werd.’

‘Misschien, maar kan dat niet anders verklaard worden, Hera.’

‘Niet volgens de gegevens. Doe nu wat ik gevraagd heb.’

‘Ja, Hera,’ zegt Sinaron en aarzelend doet de krijger wat van hem gevraagd wordt.

Zijn kleren veranderen langzaam van vorm tot ze volledig verdwenen zijn. Dan loopt hij op het dichtstbijzijnde bed toe en gaat langzaam erin liggen. Zodra hij ligt schuift een glas over het bed, waardoor het dadelijk afgesloten wordt. Sinaron probeert het glas omhoog te duwen, maar het lukt niet.

Plots hoort hij de stem van de centrale computer:

‘Blijf kalm, Sinaron. Dit is nodig om u voor te bereiden op uw opdracht.’

Een paar seconden later verliest hij het bewustzijn.

Plaats een reactie