Drie maanden na haar zestiende verjaardag is Jakira ijverig aan het trainen op het grote plein. Enkele jongemannen en vrouwen kijken verbaasd toe. Hun dorpsgenote is al meer dan een uur gevechtsbewegingen aan het uitvoeren. Bij wedstrijden met naburige dorpen heeft ze al verschillende prijzen behaald. Sung, haar leermeester uit een ver land, heeft haar vele vechtstijlen bijgebracht. Jakira werd zelfs de leidster van een groepje meisjes, die ze met de hulp van Sung, trainde in de vechtkunsten. Sung was wel verbaasd over de kracht, die Jakira lijkt te bezitten. Ze is veel sterker dan een normale vrouw. Het is voor hem een raadsel hoe het komt, maar toch volgde hij zijn gevoel. Hij bleef haar leermeester en voltooide haar opleiding tot een Wikan.(Een van de hoogste graden van de gevechtskunsten in zijn land). Hij brak hierdoor zijn gelofte om deze technieken nooit aan vreemden te onderwijzen. Maar zijn gevoel zegt, dat dit zijn bestemming is.
Intussen in het vreemde complex, dat verborgen in de maan in een baan om de zesde planeet draait. Dicht bij het centrum van het complex, is het schemerdonker in een vreemd vertrek. Plots flitsen lichten aan. Een twintigtal vreemde bedden worden zichtbaar. Op de onderkant van het tweede bed lichten cijfers op, terwijl verschillende programma’s opgestart worden. Het glas bovenop het bed wordt langzaam weer doorzichtig, terwijl de vreemde stof waarmee het gevuld is, weggezogen wordt. Dan wordt het met zuurstof gevuld en na een twintigtal minuten, opent de man in het bed zijn ogen. Op het zelfde moment schuift de bovenkant van het bed naar zijn voeten toe.
Langzaam richt de jongeman zich op en kijkt om zich heen. Dan komen de herinneringen terug. De computer controleert zijn toestand, terwijl hij wankelend naar de wand toestapt waar zijn kleren liggen. Als hij zijn zwaard aan zijn riem bevestigd, verschijnt de tempelmeesteres plots.
‘Sinaron, ik heb een taak voor u.’
‘Dat verwachtte ik al, Hera,’ zegt Sinaron glimlachend.
‘Eerst moet je naar de burcht van de koning. Je moet daar alles doen om soldaten ter beschikking te krijgen. Begeef je dan naar Horfon. Verschillende uitverkorenen zijn door onbekenden gedood. Jakira bevindt zich in deze kleine stad. Jij hebt de taak om haar te beschermen tot haar gaven ontluiken. Dan zal ik haar bijstaan om haar opleiding te voltooien.
‘En als ik niet slaag, tempelmeesteres.’
‘Dat kunnen we niet uitsluiten, al is het niet wenselijk, Sinaron. Maar er zijn nog anderen die al met hun opleiding bezig zijn. Jakira heeft echter de hoogste esperwaarde door haar afkomst, maar dat weet ze op dit moment niet. Zij is zich zelfs niet bewust van die gaven. Daarom moet jij haar met je leven beschermen,’ legt de tempelmeesteres uit.
‘In orde, Hera. Uw wens zal geschieden.’
‘Begeef u naar sector T238. Daar zal je een korte aangepaste opleiding volgen om enkele nieuwe apparaatjes te leren gebruiken. Daarna volgt nog een gevechtstraining.’
‘Kom ik dan nog wel op tijd, Hera.’
‘Zeker, jonge krijger. Daar zorg ik wel voor.’
Dan merkt Sinaron een blauwe lichtboog op, die plots verschijnt.
‘Ga door de overbrenger. Hij zal je naar Sector T238 brengen,’ hoort hij de tempelmeesteres zeggen.
Aandachtig kijkt Sinaron naar de lichtboog, dan loopt hij langzaam naar de doorgang toe en even later is hij verdwenen.
Op de vierde planeet is het intussen 23 Loj (ongeveer 12 mei op aarde). Het is de dag van de opening van de grote sport bijeenkomst in het dorp Horfon.
Alle atleten doen aan de elf verschillende disciplines mee. De proef bestaat uit een omloop van ongeveer 10 kilometer met afwisselend een van de acht proeven, waarin ze punten kunnen behalen. (Boogschieten, ongewapend vechten, hardlopen, doel werpen met stenenslingers, zwaard vechten, touwklimmen, duiken, zwemmen.)
Er zijn ongeveer tachtig deelnemers. Drieëntwintig onder hen zijn vrouwen. Allen zijn ze tussen de veertien en dertig jaar.
Heel vroeg in de morgen staan al haar vrouwelijke concurrenten klaar aan de start. Jakira heeft zoals alle deelneemsters een lendendoek en een kleine beha aan, die beide met dunne touwtjes op zijn plaats gehouden worden. Even kijkt ze naar haar leermeester, die naast haar staat.
‘Jakira, probeer zo normaal mogelijk te doen. Die krachten die je bezit, kan je beter nog een tijdje geheimhouden.’
De jonge vrouw kijkt haar leermeester in de ogen en denkt aan een paar weken geleden, toen ze plots verschillende stemmen hoorde uit het niets. Tot ze besefte dat het de gedachten van andere mensen waren. Op dat moment werd ze zich bewust van haar gaven, al weet alleen haar leermeester dit. Dan knikt ze.
‘Ik zal het proberen, al zal het niet gemakkelijk zijn, meester Sung,’ glimlacht ze.
‘Het moet, Jakira. Tot de tijd rijp is,’ zegt de oude man en volgt de andere begeleiders naar de kant.
‘Hoe weet ik of de tijd rijp is, Meester,’ zegt ze nog.
Voor hij tussen het publiek verdwijnt, knikt hij haar nogmaals lachend toe en terwijl ze zijn gedachten opvangt.
‘Dat weet ik ook niet, meisje. Maar jij zult het weten.’
Een paar minuten later klinkt de gongslag die het startsein geeft.
Terwijl de meeste deelneemsters wegsprinten, blijven er een paar, waaronder Jakira kalmer aan doen. Op hun eigen tempo lopen ze achter de anderen aan. De zeven jonge vrouwen bereiken als laatsten de open plek waar de eerste proef gehouden word.
Bij deze boogschutterproef haalt Jakira de derde plaats. Dan lopen ze verder en twee kilometer verder, bevindt Jakira zich op de achttiende plaats. Ze maakt zich klaar om aan de volgende proef deel te nemen. Ongewapend vechten. Wie zijn tegenstander kan uitschakelen krijgt punten. Wie niet slaagt valt af.
Jakira ziet drie deelneemsters staan aan de rand van het terrein en kijkt dan naar haar tegenstander. Het is een gespierde jongeman, die alleen in een lendendoek gekleed is. Langzaam stapt ze op hem toe en blijft dan afwachtend voor hem staan.
‘Is het uw beurt, meid,’ lacht hij.
‘J.ja,’ fluistert Jakira.
‘Kom dan maar op. Waag je kans,’ sist hij dan en springt plots naar voor.
Voor Jakira kan reageren, grijpt hij haar armen stevig vast. Met een zwaai valt ze op de grond. De jongeman laat zich op haar vallen, maar Jakira rolde bliksemsnel opzij, zodat de man in het gras terechtkomt. Jakira staat alweer recht en wacht op haar tegenstander. De jongeman springt recht op en staart even naar de blondine.
‘Niet slecht, maar een tweede keer slaag je daar niet meer in,’ grijnst hij en komt met opgeheven vuisten op haar toe.
Maar Jakira beweegt echter niet, tot hij een schijnbeweging maakt en dadelijk daarop naar haar buik slaat met zijn andere hand. Hij raakt echter niets. Met een sprong is ze opzij gesprongen en valt nu zelf aan. Eerst raakt ze zijn rechter pols en dan schopt ze zijn benen onder hem weg. Verbaasd komt hij in het gras terecht. Deze maal staat hij op zijn hoede op.
‘Dat zijn een paar nuttige puntjes, blondje. Maar je verrast mij maar één maal.’
‘Heb je nog niet genoeg.’
‘Zo snel krijg je geen punten, meid. Ik ben nog niet verslagen.’
De jongeman haalt lachend uit, maar Jakira grijpt zijn hand stevig vast, draait hem om en duwt hem dan voorover. Een tweede maal valt hij op zijn gezicht. Voor hij kan rechtkomen, duikt Jakira op zijn rug en slaat met haar vuist in zijn nek. Maar op een paar millimeter van zijn hals stopt ze.
‘Jij bent er geweest, vriendje,’ lacht ze.
Beiden staan langzaam op, Geen van de aanwezigen zien de krijger op de heuvel op zijn paard zitten. Grijnzend kijkt hij naar beneden.
‘Een lekkere meid en ze vecht niet slecht, Misschien kan ze een goede aanwinst zijn.
‘Een aanwinst, Monsor. Nee, dat niet. Eerst zal ze ons moeten vermaken en dan zullen we haar verkopen als slavin,’ spot de leider en geeft een teken met zijn arm
Onze vrienden hebben hier niets van gemerkt. De jongeman kijkt naar Jakira:
‘Niet slecht, meisje. Ik denk dat het je vijftien punten zal opleveren, maak dat je wegkomt. Enkelen waren vlugger dan jij.’
‘Die haal ik wel in,’ lacht Jakira en begint te lopen.
‘Veel geluk,’ zegt de jongeman nog en kijkt haar na. Maar plots ziet hij de blondine halt houden en naar de heuvel wijzen.
Hij kijkt ook in die richting en verstijft. Op de heuvel staan zeker zestig zwaargewapende krijgers. Enkele deelnemers lopen in de richting van het dorp. Jakira rent tot bij de jongeman.
‘Weet je wie dat zijn?’, vraagt ze.
‘Een roversbende, ze dragen het teken van Dirak. We moeten hier weg.’
‘Te laat. Daar geraken we niet meer,’ zegt een stem achter hen.
Beide kijken om en zien een jonge krijger staan.
‘Wie ben jij?’, vraagt Jakira.
‘Sinaron. Ik ben gezonden om jou bij te staan,’ antwoordt hij.
Maar dan trekt hij zijn zwaard en duwt Jakira en de jongeman opzij.
‘Naar het dorp, snel. Ik hou ze hier wel op,’ roept Sinaron hen toe.
‘En jij dan,’ vraagt Jakira.
‘GA!! Jakira,’ roept de vreemde jongeman nog en kijkt dan naar de aanvallers
Deze rijden op dat moment de heuvel af en stromen op onze vrienden en de laatste vluchtenden toe.
Jakira kijkt om zich heen en ziet plots een stevige stok op de grond liggen. Snel rent ze er naar toe en neemt hem vast. De jongeman is haar gevolgd en zegt:
‘Geef hem aan mij. Het zal er hard aan toegaan en.’
‘Neem die daar, vriendje. Ik zal het hen niet gemakkelijk maken,’ sist Jakira hem toe, terwijl ze naar een andere stok wijst.
‘Mijn naam is Tinron.’
‘Jakira,’ zegt het blonde meisje en loopt dan naar Sinaron toe.
De ruiters hebben intussen Sinaron bereikt en het eerste wapen gekletter weerklinkt. Een tiental keert zich tegen onze vrienden, terwijl de rest naar het dorp toestormt.
Enkele dorpelingen hebben zich bij Jakira en Tinron gevoegd en storten zich op de krijgers. Jakira merkt ook haar leermeester Sung op, die naast de dorpelingen met getrokken zwaard staat te wachten op de aanvallers. Even kijkt hij naar Jakira.
‘Volg mijn lessen zo goed je kunt, Jakira. Deze maal is het geen oefening,’ roept hij
‘Dat zullen die idioten daar wel ondervinden, meester Sung;’ glimlacht ze en richt haar blik dan op de aanstormende ruiters.
Deze naderen hen zeer snel, terwijl ze woeste kreten slaken. Jakira ziet twee krijgers op haar toerijden en ontwijkt een speer. Dan springt ze al draaiend omhoog en slaat haar stok tegen de rug van de ruiter. Door de slag verrast stort de man op de grond. Zijn maat keert zijn paard, maar Tinron springt langs achter op het dier van zijn tegenstander. De jongeman slaat zijn arm om de nek van de krijger en trekt hem opzij.
Het paard steigert en de ruiter valt op de grond. Tinron duikt op hem toe en ze rollen vechtend over de grond. De krijger slaagt erin om recht te komen en haalt uit met zijn zwaard, Tinron, die de dolk van de krijger gegrepen heeft richt zich plots op. Het kleine wapen boort zich in het lichaam van zijn aanvaller, vlak onder borstplaat. De krijger laat zijn zwaard vallen en grijpt naar het mes. Langzaam zakt hij in elkaar. Tinron grijpt het zwaard van de krijger en kijkt even naar de stervende. Hij voelt zich niet lekker, nu hij voor de eerste maal in zijn leven een mens doodde.
Dan hoort hij geluiden van het gevecht dat zich op enkele meters van hem afspeelt. Hij lacht even als hij merkt dat Jakira haar mannetje staat en een krijger bewusteloos op de grond ziet liggen. Een andere krijger slaat op haar in, maar haar stok vangt telkens de slag op. Hij geraakt niet door haar verdediging. Ook Sinaron blijkt een goede zwaardvechter te zijn en verweert zich met gemak tegen drie krijgers. Tinron grijpt het zwaard van de dode rover stevig vast en loopt naar de vechtenden toe. Twee dorpelingen liggen dood in het gras. Op dat moment klinken trompet signalen. En onze vrienden zien de rovers plots schrikken, als er in het blauw geklede ruiters opdagen.
‘Soldaten van de koning,’ merkt Sinaron op.
Een groot aantal soldaten rijdt op het dorp toe en vallen de rovers aan, die het verzet van de dorpelingen proberen te breken. De rovers deinzen even verschrikt terug, maar dan vallen ze de soldaten met ware doodsverachting aan. Enkele soldaten die onze vrienden ter hulp snellen worden door korte pijlen van hun paarden geworpen.
Jakira schrikt plots als ze een kreet achter haar hoort. Als ze zich omdraait ziet ze haar leermeester wankelen. Een rover ligt dood voor de voeren van meester Sung op de grond, maar één zijn twee tegenstanders heeft met een schijnbeweging zijn arm vlak boven zijn elleboog afgehakt.
‘In je jonge jaren zal je een groot krijger geweest zijn, oudje, maar nu ben ze veel te traag voor een grootmeester,’ grijnst de rover.
De andere wacht echter niet op hem en zijn zwaard boort zich in de borst van de oude man. Jakira blijft even verschrikt staan, terwijl ze haar handen om haar stok balt. Woede welt in haar op en zonder dat ze het beseft bruisen haar krachten in haar op en schieten plots op de krijger die haar leermeester dode toe. De rover laat zijn zwaard vallen en grijpt naar zijn hoofd. Hij slaakt kreten van pijn, terwijl zijn hersens verpulverd worden. Terwijl zijn lichaam in elkaar zakt, keert de andere zich naar zijn nieuwe tegenstandster.
‘Ha, een meisje en nog mooi ook. Wil je vechten of wil je lief zijn voor mij.’
Jakira hoort het echter niet. Ze staart verschrikt naar het lijk. Ze wankelt en kijkt hulp zoekend om zich heen.
De rover nadert haar op zijn hoede.
‘De eerste maal dat je iemand dode, meid. Maak je geen zorgen het wend wel, als je er nog een paar van hun leven beroofd hebt,’ grijnst de man.
Langzaam heft Jakira haar hoofd op en staart naar de rover. Dan werpt ze haar stok opzij.
‘Haha, dat is beter. Deze nacht in mijn tent zal je mij toebehoren.’
‘Deze nacht zal je tent leeg blijven, rover,’ sist Jakira en duikt naar de grond. Ze rolt rakelings naast de krijger opzij en komt pas recht naast haar meester Sung. Even kijkt ze naar zijn levenloze ogen.’
‘Vergeef me meester, maar je zwaard eist bloed,’ fluistert ze.
Als ze rechtstaat heeft ze het lichte zwaard van Sung stevig vast. De rover schrikt even van de blik in haar ogen.
‘Ik ben jong, rover. Verdedig je leven,’ hoort hij haar zeggen.
De man grijnst even en stort zich op zijn prooi. Hoe hard hij ook probeert hij slaagt er niet in de blondine te raken. Jakira duikt telkens opzij. Maar dan slaat hij met een schijnbeweging toe. Jakira kan de slag afweren, maar het zwaard van haar meester breekt. De rover lacht spottend.
‘Je bent snel, meid, maar je hebt geen kans.’
Als hij toeslaat, springt Jakira echter de hoogte in. Twee meter boven de grond maakt ze een snelle beweging met haar rechterhand en uit de achterkant het handvat van het zwaard schiet een lang mes naar buiten. Voor de rover kan reageren, komt de blondine voor hem op haar voeten en steekt toe. Het lemmet doorboort zijn borst. Schokkend zakt zijn lichaam in elkaar. Even kijkt ze op hem neer en laat het afgebroken zwaard vallen.
Dan ziet ze door een waas Tinron, die samen met twee andere dorpelingen, in een gevecht gewikkeld is met de laatste rover. Plots hoort ze een geluid achter zich en draait langzaam zich om. Even lijkt ze een half doorzichtige gedaante te zien, van een jonge roodharige vrouw. Dan schrikt ze, waardoor ze dadelijk terug in de werkelijkheid beland.
‘Die vreemde krijger is in gevaar,’ fluisteren haar gedachten.
Deze krijger, die zich Sinaron noemde, stortte zich op de drie schutters die op de soldaten schoten. Deze wijken lachend achteruit en trekken dan hun lange slagzwaarden. Ze drijven de jonge krijger achteruit. Sinaron staat met zijn rug tegen een boom en wordt door twee van de drie in het nauw gedreven. De derde richt zijn boog op de man. Snel wijst de blondine met haar hand naar de stok die op een paar meter van haar op de grond ligt en hij schiet op haar hand toe. Even kijkt ze er verbaasd naar, maar dan buigt ze haar arm naar achteren en werpt haar stok als een speer op de man met de boog toe. Ze treft de man nog juist op tijd. Zijn pijl raakt even de arm van een van de twee anderen om zich dan in de boom te boren.
De man met de boog laat deze vallen en ziet Jakira ongewapend op hem toekomen. Snel trekt hij zijn zwaard en slaat toe. Maar Jakira duikt onder zijn slag door en rolt over de grond, terwijl ze haar stok vastgrijpt. Snel springt ze recht en slaat het zwaard van haar aanvaller opzij. Op dat moment rijden enkele rovers, die de vlucht nemen voorbij.
De boogschutter trekt zijn tweede kleinere zwaard, terwijl de anderen even naar elkaar kijken en dan naar hun paarden rennen. Jakira geeft haar aanvaller geen enkele kans. Drie, vier stokslagen drijven hem achteruit, dan raakt ze hem aan zijn hoofd. Zwaar getroffen stort hij neer. Op dat moment houden enkele soldaten halt. Twee van hem grijpen de rover stevig vast. Terwijl het bloed uit zijn mond loopt, kijkt de rover Jakira woedend aan.
‘Ik zal je wel krijgen, duivelse meid,’ sist hij, en rukt de twee soldaten plots opzij.
De twee zijn volledig verrast en de rover kan het zwaard van een van hen vastgrijpen. Dan werpt hij zich op Jakira. Maar dan staat Sinaron plots voor het meisje. Hij weert de slag af met zijn zwaard en steekt dan toe. Zijn zwaard boort zich in de borst van de rover, die met opengesperde ogen dood neerstort.
‘Dat was niet nodig. Sinaron. Ik kon hem wel alleen aan,’ sist Jakira kwaad.
‘De dood wachtte toch op hem, meisje,’ glimlacht een soldaat.
‘De andere rovers zijn er vandoor,’ merkt Sinaron op.
Een van de soldaten knikt:
‘Deze maal kwamen we op tijd. Dank zij u, Hera Sinaron. Uw bericht kwam op tijd aan.’
Jakira kijkt even nieuwsgierig naar de krijger, maar deze doet alsof hij haar blik niet opmerkt.
Toch geeft ze het nog niet op.
‘Hera. Wij moeten achter hen aan. Die rovers moeten uitgeschakeld worden,’ zegt de kapitein.
Sinaron knikt.
‘Ik wens jullie een goede jacht.’
De kapitein kijkt hem nog even aan en keert dan zijn paard. De groep soldaten zet de achtervolging in en verdwijnen even later in de verte.
Jakira volgt met de anderen Sinaron naar het dorp. Plots vraagt ze:
‘Sinaron, vlak voor de aanval zei je dat je gezonden werd om mij bij te staan. Wat bedoelde je daarmee?’
‘Dat klopt, Jakira. Maar ik kan je daar niets over zeggen. Toch niet op dit moment. Misschien over een tijdje. Mijn opdrachtgever moet mij er toestemming voor geven.’
‘Je opdrachtgever. Wie is dat?’
‘Later, Jakira. Als de tijd gekomen is zal je meer weten.’
‘Waarom niet nu?’, mompelt Jakira.
De jonge krijger zegt niets en loopt verder.
Kwaad stampt Jakira op de grond.
‘Hera Sinaron. Blijf staan of,’ hoort hij haar roepen, maar hij gaat rustig verder.
Hij ziet niet meer dat ze opnieuw wankelt, als ze de beelden van de dode die ze met een gedachte van het leven benam, weer voor haar ogen ziet voorbij trekken.
‘Deed ik dat?’ fluistert ze.
Tinron merkt het wel en haast zich naar haar toe. Even houdt hij haar in zijn sterke armen. Maar al snel heeft ze zich alweer herpakt. Alleen dwarrelen haar gedachten nog radeloos door elkaar.
‘Laat maar, ik ben alweer in orde.’
‘Hoho, die krijger. Die heeft zo te zien een grote indruk op jou nagelaten, Jakira.’
Even kijkt Jakira naar Tinron.
‘Misschien, Tinron. Maar ik zou eerder willen weten wat hij aan het begin van de aanval bedoelde met dat hij gezonden was om mij bij te staan.’
‘Tja, het lijkt me dat je dat aan hem zult moeten vragen.’
‘Iets zegt me dat hij dat niet zal willen zeggen,’ antwoordt Jakira, terwijl ze met een kwade blik naar Sinaron kijkt, die bijna de eerste huizen bereikt heeft. Dan trekt ze haar schouders op en loopt naar de plaats waar haar leermeester viel. Wenend staart ze naar zijn gebroken ogen en laat zich op haar knieën naast de dode neerzakken. Tinron komt naast haar staan en legt zijn hand op haar schouder. Zo blijft hij even staan, tot de jonge vrouw plots rechtstaat. Hij schrikt even als hij de blik in haar ogen ziet. Dan kijkt Jakira hem aan en lacht.
‘Mijn leermeester is niet meer, Tinron. Ik zal hem in zijn gevechtstechnieken, die hij mij aanleerde en die ik volledig beheers, gedenken,’ hoort hij haar zeggen.
Dan draait Jakira zich om en loopt naar het dorp toe. Tinron volgt haar op de voet, terwijl hij haar vreemd blijft aankijken.
‘Wauw, wat een meid. Straks ben ik nog verliefd,’ denkt hij verbaasd.
Aan de rand van het dorp blijft het blonde meisje staan. Tinron haalt haar in en ziet haar om zich heen kijken. Overal lopen gewapende dorpelingen rond. Enkele vrouwen verzorgen de gewonden. Jakira schrikt even als ze enkele doden ziet liggen.
‘Als ik kon zou ik die roverbendes eens een lesje leren, maar ik ben maar een boerendochter.’
‘Een boerendochter. Ja, Jakira. Maar één die kan vechten als de beste,’ denkt Tinron, maar wordt jaloers als hij haar naar de jonge krijger ziet kijken.
Haar ogen lijken wel te stralen. Sinaron, die aan de rand van het dorp staat, merkt er echter niets van. Zijn lippen bewegen alsof hij tegen iemand aan het praten is, maar er is niemand te zien. Dan valt zijn blik op Jakira. Hij rilt, terwijl hij in haar ogen kijkt.
‘Ja, Jakira. Je bent een boerendochter, maar je bent voorbestemd om een lange weg af te leggen.’
Ook Jakira voelt de vreemde band die plots tussen hen ontstaat en stamelt:
‘Een lange weg.’
‘Ja, maar meer kan ik op dit moment niet zeggen.’
‘Waarom.’
‘Nee, Jakira. Geen vragen. Ik kan ze toch niet beantwoorden. Ik moet verder, maar binnen korte tijd zal er iemand komen. Hij zal je opleiden en de weg naar je bestemming wijzen.’
‘W.Wat?? wat zeg je, Sinaron. Wie zal mij de weg wijzen?’
‘Dat is voor later, meisje. Ik moet verder, al zou ik graag hier blijven,’ hoort ze Sinaron zeggen.
Op dat moment ziet ze haar moeder naar haar toelopen.
‘In orde, misschien zie ik je later nog wel,’ antwoordt ze, terwijl Sinaron op zijn paard stijgt.
‘Jakira, kom mee. Je vader is gewond,’ hoort ze haar moeder zeggen.
Het blonde meisje schrikt en kijkt haar verbaasd aan.
‘Is papa gewond.’
‘Kom, hij overleeft het wel. Een pijl trof hem in de rechterzij.’
Even kijkt Jakira nog om naar Sinaron, maar ze ziet hem nergens meer, dan volgt ze haar moeder. Haar vader ligt op een tafel naast andere gewonden. Enkelen hebben een doek over hun hoofd. Jakira slikt even als ze een achttal doden telt.
‘Als ik,’ sist ze kwaad.
‘Wat, Jakira. Wat zeg je?’
‘Niets moeder,’ fluistert Jakira en loopt op haar vader toe.
Haar moeder schrikt als de ze rechterhand van Jakira ziet. Ze lijkt een groen licht uit te stralen. Jakira blijft naast haar vader staan en zonder dat ze het beseft legt ze haar hand op het verband. Nikita kijkt haar dochter en merkt plots op haar rechterschouder een klein groen licht. Dan valt haar blik op haar man en verstard als ze ook hier een groene gloed onder het verband ziet uitkomen. Plots is de gloed verdwenen en op hetzelfde moment op haar man zijn ogen. Hij kijkt zijn dochter verbaasd aan.
‘Jij hier, Jakira. Heb je gewo,’ zegt hij, maar dan komen de herinneringen terug.
Hij richt zich op en wil opstaan. Nikita loopt snel op haar man toe en zegt:
‘Blijf liggen, Luron. Je bent gewond.’
Luron tast naar zijn zijde en het verband.
‘Daar voel ik niets meer van, ik weet nog dat ik door een pijl getroffen werd. Maar nu lijkt het wel dat mijn wonde verdwenen is,’ zegt hij, terwijl hij recht gaat zitten.
Nikita maakt het verband los en kijkt naar de wonde, die er niet meer is. Dan kijkt ze naar haar dochter.
‘Jakira… hoe,’ stamelt Nikita.
Het blonde meisje kijkt haar niet begrijpend aan en fluistert:
‘Dat weet ik ook niet, moeder. Het leek alsof mijn hand een eigen wil had.’
‘Luron, ik maak het verband weer vast. Niemand mag ontdekken dat je wonde genezen is. Wie weet wat ze met onze dochter doen als iemand het te weten komt,’ merkt Nikita op, terwijl ze naar de vreemde vlek staart op de schouder van haar dochter.
Jakira merkt het op en lacht:
‘Wat is er, moeder. Je kijkt zo vreemd.’
‘Je schouder, Jakira, daareven was er een groen licht en nu lijkt het alsof je geboortevlek veranderd is.’
Jakira tast naar haar schouder, maar voelt niets.
‘Laat mij eens kijken,’ zet haar vader.
Het blonde meisje draait zich om en Luron kijkt verbaasd naar de vlek.
‘Vroeger was het een onduidelijke bijna ovale vlek, maar nu lijkt het wel alsof het er nu twee naast elkaar zijn,’ merkt hij op.
Even later staat Luron, die doet alsof hij wankelt op en loopt ondersteunt door zijn vrouw naar de deur. Jakira loopt hen aarzelend achterna. Intussen begint het al donker te worden.
In het complex heeft de computer de ontluikende krachten van Jakira ontdekt en hij treft de eerste voorbereidingen voor de volgende stap.
Sinaron, die intussen een kamp opgeslagen heeft nabij een meertje, zit roerloos naar het vuur te kijken. Als hij aan Jakira denkt, lijkt zijn hart wel op hol te slaan. Dit heeft hij nog nooit gevoeld, ook niet toen hij Kagin voor zichzelf wilde. Plots hoort hij een signaal dat van zijn armband komt en hij kijkt verschrikt op. Voor hem staat de gedaante van de tempelmeesteres. Dan hoort hij zijn geluidloze stem zeggen:
‘Sinaron, de scanners hebben de eerste tekenen van Jakira’s gaven opgemerkt. Ik moet enkele veranderingen doorvoeren, voor ik Jakira’s opleiding kan starten. Verschillende delen van mij zijn al bij de andere gevormden aanwezig. Onze onbekende tegenstander heeft de gave van Jakira misschien ook ontdekt. Jij krijgt de taak om Jakira doorheen deze moeilijke tijd te helpen tot ik klaar ben om haar zelf bij te staan. Jij wordt haar nieuwe leermeester.’
‘Uw wil zal geschieden, Hera. Maar mijn opdracht. De rovers…,’ merkt Sinaron op.
‘Dat is al voorzien, Sinaron.’
Nadenkend kijkt Sinaron voor zich uit.
‘In orde, Hera. Ik keer morgenvroeg dadelijk terug,’ zegt hij dan.
‘Voer de taak uit waarvoor ik jou uitgekozen heb. Maar wees op je hoede We weten dat de onbekende zijn duivelse plannen aan het uitbroeden is. Maar mijn uitverkorenen zijn nog lang niet klaar voor de strijd,’ zegt de tempelmeesteres en lost een seconde later in het niets op.
Sinaron kijkt even naar het meertje, waarop het maanlicht weerkaatst. De volgende morgen begeeft hij zich op de terugweg. Intussen zijn Jakira en haar ouders, samen met twee andere gezinnen vertrokken. Tinron gaat met hen mee. Hij moet naar Forah om Kaïnja, zijn zus op te halen. Ze slaan de richting van Naïkon, hun dorp in. Ranon, de zoon van het tweede gezin werd bij de aanval gedood en ligt op een kar. Ze willen hem nabij hun dorp begraven. Als Sinaron Kranjon weer verlaat loopt het al tegen de avond. De groep van Nikita en Luron slaan een kamp op, nabij een kruispunt. Iedereen helpt bij opbouwen van het kamp. Alleen Jakira niet, zij loopt weg om eens rustig te kunnen nadenken over wat ze meemaakte. Haar vader wil haar tegenhouden, maar haar moeder zegt:
‘Laat haar maar even. Ze heeft veel te verwerken.’
‘Maar is het wel veilig.’
‘Ze zal wel niet te ver gaan. Die vreemde krachten die ze bezit, moeten met die droom te maken hebben, die we beiden hadden, toen ik nog in verwachting van haar was.’
‘Dat zou kunnen, schat. Bij Junzo en Unka gebeurde dat niet. Misschien hebben de goden Jakira voor een onbekende taak uitverkoren,’ antwoordt haar man.
‘Misschien een soort genezer,’ lacht Nikita.
‘Ik volg haar wel,’ merkt Tinron op.
‘Let goed op haar,’ knikt Jakira’s vader dankbaar, die Tinron nu pas opmerkt.
‘Mag ik mee, moeder,’ zegt een stem plots.
‘Nee, Unka. Laat je zus maar alleen gaan. Jij blijft hier.’
Jakira loopt intussen verder en is een honderdtal meter van het kamp verwijderd, als ze plots schrikt. Ze merkt een oudere krijger op, die een paar meter voor haar staat te grijnzen.
‘Ha, lieve meid. Wat doe jij hier zo alleen?’, grijnst hij, terwijl hij haar even van boven tot onder bekijkt.
Jakira heeft een kort blauw rokje aan en een niet nauwsluitende blouse, die alleen haar borsten en bovenste deel van haar rug bedekt.
‘Ik ben met mijn familie op weg naar huis. Wie ben jij?’, antwoordt ze met trillende stem.
‘Mijn naam is Genak. Ik en mijn twee vrienden zijn op weg naar Taroy, de hoofdstad,’ zegt hij.
Dan merkt Jakira de twee anderen op, die haar van achter naderen.
‘Dit zijn Jokro en Mogon,’ zegt Genak en geeft zijn twee maten een teken.
Voor ze iets kan doen wordt ze door de twee bij de armen vastgegrepen.
‘Uw tijd is gekomen, meid. Jij bent de zesde, die ik met eigen handen zal afmaken.’
‘Afmaken, Wat bedoel je,’ stamelt Jakira verschrikt.
‘Jij bent er geweest, nog voor je onze plannen kan dwarsbomen. Vijf anderen zijn je al voorgegaan en nog velen zullen volgen, Jakira.’
‘Verzet je niet, meisje. Kom, we brengen haar naar de open plek,’ zegt de leider van de drie.
Ondanks het verzet van Jakira sleuren beide jongemannen haar mee. Als ze op de open plek aankomen, trekt Genak het bovenstuk van haar kleed kapot en staart even naar haar naakte borsten.
Van deze kans maakt ze dadelijk gebruik en rukt plots haar rechterarm los uit de handen van Mogon. Jokro, die haar linkerarm, vasthoudt, raakt ze met een harde slag en hij wankelt achteruit.
Jakira is door haar leermeester goed opgeleid en vecht als de beste. Ze wacht hen lachend op. Weer beland een van haar twee tegenstanders op de grond, terwijl de slag van de andere haar juist mist. Maar dan daagt Genak op en in het korte gevecht met hem wordt ze verschillende keren geraakt. Telkens de man haar raakt, ziet ze een flits van een monsterachtige gedaante.
Wankelend valt ze tegen een boom aan. Dan haalt hij uit en slaat Jakira’s hoofd tegen de boom. Half bewusteloos zakt ze door haar benen en ziet door een waas Tinron opdagen, die haar gevolgd is.
‘Wat is hier gaande?’, roept deze.
De drie zien dat het meisje half bewusteloos probeert recht te kruipen.
‘Ik schakel die idioot wel uit,’ grijnst Genak en loopt op Tinron toe.
Gedurende enkele minuten vechten beiden, maar Tinron weerstaat de aanval van Genak.
‘Je bent goed, jongeman. Maar genoeg gespeeld nu,’ sist Genak, terwijl hij zijn mes trekt.
Jakira staat echter terug recht en balt haar vuisten. Dan kijkt ze even om zich heen.
‘Jakira, maak dat je wegkomt. Ik houd ze wel tegen,’ roept Tinron haar toe.
‘En mijn helper alleen achter laten,’ zegt Jakira, terwijl ze een gevechtshouding aanneemt.
Mogon en Jokro trekken hun mes en lopen lachend op Jakira toe. Maar Jakira slaat keihard terug. Jokro verliest zijn mes en moet zich met een gebroken rib terugtrekken.
Nu is het twee tegen twee, maar Jakira is te impulsief en maakt een paar fouten. Hierbij krijgt ze enkele harde slagen van Mogon te verwerken en wankelt.
Intussen is Tinron ook in nood. Hij staat met zijn rug tegen een boom, terwijl de leider een mes tegen zijn borst drukt.
‘Nu heb je al minder praatjes, is het niet,’ sist de man grijnzend.
Dan kijkt hij even naar zijn maat, die Jakira achteruit drijft met enkele rake slagen.
‘Ook je vriendin maakt het niet lang meer. Zoals je ziet,’ zegt hij.
Dan kijkt hij zijn tegenstander opnieuw aan.
‘En nu krijg jij nog tien seconden om je op de dood voor te bereiden,’ grijnst Genak en steekt toe.
De jongeman voelt het koude staal in zijn borst binnendringen en zakt, terwijl alles voor zijn ogen zwart wordt, in elkaar. Jakira schrikt als zij de jongeman ziet neerstorten. Plots voelt ze haar woede weer toenemen en kijkt de tegenstander van Tinron aan. Deze draait zijn hoofd grijnzend naar haar, maar dan tasten Jakira oncontroleerbare krachten naar zijn hoofd. De man krimpt in elkaar van de pijn in zijn hoofd. Jakira’s tegenstander kijkt verbaasd naar zijn maat, die op de grond neerzakt. Dan kijkt hij naar het meisje, dat op hetzelfde moment en vreemde angstaanjagende gedaante lijkt waar te nemen op de plaats van de moordenaar. In een reactie steekt Mogon plots toe. Even voelt hij dat zijn hand door iets onzichtbaar tegengehouden wordt, maar dan is dat iets plots weg en zijn mes dringt diep in Jakira’s lichaam. Dadelijk is de druk uit het hoofd van Genak, de pijn verdwijnt langzaam. Als hij opkijkt ziet hij Jakira staan wankelen, terwijl ze het mes vastgrijpt, dat vlak onder haar hart in haar lichaam steekt. Langzaam zakt ze in elkaar, terwijl ze verbaasd naar Mogon kijkt.
‘Spijtig, meisje. We wilden ons eerst nog wel even met je amuseren,’ sist deze nog, terwijl ze langzaam in elkaar zakt.
‘Nog een dode uitverkorene,’ hoort ze de stem van Genak van ver spotten, terwijl haar omgeving vervaagt.
Dan valt ze in een diepzwarte afgrond, terwijl haar ogen niets ziend naar de lucht staren. Plots horen ze een aantal stemmen. Snel helpen Mogon en Jokro, Genak rechtop en maken dat ze wegkomen.
Het zijn Jakira’s vader en twee anderen, die op het lawaai afkomen.
‘Jakira, wat,’ fluistert hij en schrikt hevig
Ze staren alle drie naar Jakira, die bloedend op de grond ligt. Luron loopt op zijn dochter toe en knielt naast haar.
Dadelijk merkt hij dat ze nog leeft, maar ze is zwaar gewond.
‘Wat is hier gebeurd?’, merkt een van de twee anderen op, terwijl hij naast de jongeman neerknielt.
‘Hee, dit is Tinron, de jongeman van het dorp Kranjon. Hij is dood,’ schrikt hij.
‘Zou hij haar,’ zegt de tweede dorpeling.
‘Nee, Oeron. Mijn doch,’ merkt Luron, Jakira’s vader, op, maar kijkt dan naar zijn dochter.
‘D.rie man.nen. Tinr.on H.elp… Ze d.o.den he.mm,’ fluistert het gewonde meisje zwak.
Luron wil iets zeggen, maar merkt dan dat ze bewusteloos is.
‘Snel zoek enkele takken, we moeten haar naar het kamp brengen,’ zegt Luron met trillende stem.
De twee anderen hebben al snel een paar lange takken gevonden en binden ze aan elkaar. Dan leggen ze Jakira er voorzichtig op. Luron en zijn vriend dragen de gewonde naar het kamp. Oeron draagt de dode Tinron en volgt hen.
‘Luron, wat is er met Jakira?’, roept Nikita angstig uit, als ze het groepje ziet naderen.
Ze loopt op hen toe en kijkt even naar haar dochter. Ze schrikt hevig als ze het mes ziet dat in het lichaam van haar dochter steekt.
‘Jakira, !!!! Wat. Luron, wat is er gebeurd??’, roept ze
‘Ze fluisterde iets van drie mannen, vrouw,’ zegt Luron.
Ze leggen het meisje voorzichtig neer in de wagen van haar ouders. Haar moeder gaat naast haar zitten en onderzoekt de wonde. Oeron legt intussen, met de hulp van twee anderen, het lijk van Tinron op een wagen
‘We moeten zo snel mogelijk naar het dorp. Hier kunnen we niets doen. Als we de dolk verwijderen betekent dat haar dood.’
‘Zo zal ze ook niet lang meer maken. Als we het bloeden niet stoppen… He,’ zegt Luron, maar hoort plots geluiden.
