11. De roodharige krijgster

Dan ontvangt Jakira het telepathische beeld van de plaats waar Quana moet zijn en nog voor Anya iets kan zeggen is Jakira verdwenen.

‘Zo, dat is ook weer geregeld, en nu jullie drie. Steek jullie handen naar voor met jullie palmen naar boven.’

Verbaasd doen de drie dorpelingen het en voor hun ogen materialiseren drie mooie zwaarden, van een speciaal metaal vervaardigt.

‘Wat een mooi wapen. Dat kan ik niet aannemen,’ weigert Rondo.

‘Alleen jij kunt het gebruiken, Rondo. Elk van die zwaarden is op jullie lichaamsstructuur afgesteld. Als iemand anders het wil hanteren zal hij een zware schok oplopen en het moeten loslaten. Anders is het zijn dood.’

Verbaasd kijken de drie hem aan.

‘Kom, nu kunnen we het beste gebruik ervan even aanleren. Van Jakira weet ik al dat jullie alle drie bedreven zwaardvechters zijn. Dus kunnen we snel beginnen met de eigenschappen van dit wapen. Maak de riem maar vast om jullie heupen. Dan kunnen we beginnen.’

Intussen materialiseert Jakira op de aangegeven plaats en kijkt om zich heen. Maar ze ziet nergens een teken van Quana. Als telepate peilt ze de omgeving af en al snel vangt ze zwakke gedachten op tussen de struiken.

‘Quana,’ fluistert ze en trekt de struiken opzij.

Voor haar ligt haar dood gewaande vriendin. Het bloed op haar lichaam is opgedroogd, waardoor Jakira hevig schrikt. Met haar genezende krachten onderzoek ze het lichaam van de gewonde en beseft, dat Quana haar wonden met haar eigen krachten al voor een groot deel genezen heeft. Maar ze is helemaal uitgeput.

Jakira knielt naast Quana en schuift haar armen onder de nek en de knieën van het groenhuidig meisje en heft haar omhoog. Quana kreunt van de pijn, die ze voelt. Met moeite draagt Jakira haar naar de rivier toe. Daar laat ze haar vlak naast het water op de grond zakken. Naast Quana gaat ze op haar knieën zitten en concentreert zich. Langzaam sluiten de wonden zich helemaal. Plots opent Quana haar ogen.

‘Jakira! Mij hadden ze goed te pakken, maar ik hoop dat je hen hun verdiende straf gegeven hebt.’

‘Nee, Quana. Ze kregen mij ook. Maar ik slaagde er om mij met de stroom te laten meedrijven.’

‘Jou ook. En toch hebt je me gevonden. Dank aan de goden,’ fluistert ze zwak.

‘Niet de goden, maar Anya heeft mij naar hier geleid,’ lacht Jakira, terwijl ze haar vriendin recht helpt.

Maar het meisje is te zwak om op te staan. Ze heeft al verschillende dagen niet meer gegeten. Jakira slaat een arm van Quana om haar nek en trekt haar zo recht op.

Dan concentreert Jakira zich en teleporteert terug naar Anya en de anderen. Het is intussen al gaan schemeren en haar vrienden zijn aan het uitrusten, na de korte, maar zware training.

Anya, merkt haar dadelijk op, terwijl zij Quana neerlegt in het gras.

‘Hoe is het met haar,’ vraagt Aya.

‘Niet zo best. Maar haar wonden zijn genezen, alleen heeft ze al enkele dagen niet gegeten heeft.’

‘Kom, wij gaan iets te eten Jakira’s vriendin halen,’ zegt Aya.

‘In orde. Jullie hebben mij voorlopig niet meer nodig. We zien elkaar wel in Jorgank,’ zegt Anya en is op hetzelfde moment verdwenen.

Aya en de anderen gaan verder naar het dorp en een half uur later stappen ze door de poort. De vader van Rondo komt op hen toe. Rondo blijft staan, terwijl Aya en Danor naar de hut van de ouders van Danor lopen.

Voor Rondo’s vader iets kan zeggen, zegt zijn zoon:

‘Het huwelijk gaat morgen door, vader. Maar Aya trouwt met Danor en niet met mij. Yana, mijn zuster, moet mijn plaats innemen en later de nieuwe dorpsoverste worden. Met haar zal ook de nieuwe tijd aanbreken.’

‘Dat kan niet. Het is al meer dan 500 jaar geleden dat het dorp nog door een vrouw geleid werd.’

‘Dan wordt het tijd dat dit opnieuw gebeurd, vader,’ zegt Rondo, terwijl hij naar zijn jongere zuster kijkt.

Zij is bleek en weet niet goed wat te zeggen.

‘Rondo, ik. Nee. Dat kan ik niet. Jij moet.’

‘Dat kan niet, zus. Jij moet onze vader opvolgen. Ik kan…. Ik moet weg en ik weet niet voor hoelang, misschien voor altijd. Ik weet het niet.’

‘We zien wel, zoon. Ik zal het de raad voorleggen. Maar waar ga jij dan heen?’ vraagt zijn vader verbaasd

‘Morgen moet ik gaan. Samen met Aya en Danor moet ik onze lotsbestemming volgen.’

‘Waarheen, zoon.’

‘Dat weet ik nog niet. Maar ik moet vertrekken, vader,’ antwoordt Rondo.

‘Hier zijn we weer,’ zegt Danor op dat moment.

Rondo kijkt even naar zijn vriend en dan knikt hij. Nog even omarmt hij zijn zus en fluistert:

‘Het moet zo zijn, zusje. Het spijt me.’

Als hij haar loslaat, vraagt zijn vader:

‘Kom je nog afscheid nemen, Rondo.’

‘We komen nog wel naar het dorp, Idan. We moeten eerst onze nieuwe lotgenoten gaan helpen,’ lacht Aya, terwijl ze een arm om Rondo en Danors schouders slaat.

Idan, Rondo’s vader kijkt hen na, terwijl beide jongemannen, met Aya tussen hen in het dorp verlaten.

‘Wat is er tussen hen gebeurt. Gisteren waren ze nog rivalen en nu. Wat verandert alles toch snel,’ denkt Idan verbaasd.

Op dat moment komt zijn vrouw toegelopen.

‘Wat is er gebeurd, Idan? Ze lijken wel de beste vrienden.’

‘Ja, het lijkt zo. Maar ze spreken van een vreemde lotsbestemming. Die nieuwe vriendin van Aya, Jakira noemt ze geloof ik, moet ermee te maken hebben.’

‘Een lotsbestemming, wat bedoelen ze daarmee?’

‘Dat weet ik niet, maar ik denk dat Rondo ons gaat verlaten.’

‘Wat?’ stamelt zijn vrouw.

Intussen lacht Jakira:

‘Kom, we gaan even een badje nemen.’

‘Wat, in het water… Je bent gek.’

‘Toch niet. Het zal ze opfrissen.’

Even kijkt Quana naar haar blonde vriendin.

‘Misschien heb je gelijk. Maar hoe geraakt ik erin.’

‘Laat je kleren dan verdwijnen,’ lacht Jakira.

‘Ach ja…’

Terwijl Quana’s kleren langzaam in het niets oplossen, wordt ze door Jakira recht geholpen en beiden strompelen naar het water toe.

Als groenhuidige vrouw haar voeten in het koele water voelt nat worden, lacht ze:

‘Kun je het eerst niet verwarmen. Het is nogal koel.’

‘Als je graag nog een paar uur zonder eten zit.’

‘Nee, laat maar. Jakira. Het zal wel gaan.’

‘De blonde lacht als ze haar vriendin in het water laat zakken.’

‘Brrr. het is koud.’

‘Het is maar voor even,’ grijnst Jakira.

Gelukkig is het een heldere lucht, waardoor ze in het licht van de halve maan elkaar nog kunnen zien, want het is intussen al donkerder geworden.

‘Haal me er maar weer uit, of nee. Laat mij het zelfs maar proberen. Ik voel me al een beetje beter,’ zegt Quana, en staat op. Het water komt tot een haar heupen. Langzaam schuift de vreemde stof weer over haar lichaam, waardoor haar kledij weer de juiste vorm krijgt. Maar als ze een stapt vooruit doet, wankelt ze. Jakira, die op de kant staat, grijpt haar dadelijk telekinetisch vast en ondersteunt haar. Als ze de kant bereikt, laat Jakira haar telekinetisch los. Quana draait zich naar haar om, terwijl Jakira de rand van het water bereikt en ook haar kleren vormt.

‘Ben jij soms, Tena?’ vraagt een stem rechts van hen plots.

Verrast kijken Jakira en Quana om. ‘Jakira’s groenhuidige vriendin kijkt even naar de knappe jongeman.

‘Nee, ik ben Quana. Waarom vraag je dat, jongeman?’ zegt ze glimlachend.

Rondo kijkt haar verbaasd aan. Voor de eerste maal in zijn leven ziet hij een groenhuidige vrouw.

‘J.je l.ijkt wel op haar. Je rode haar, alleen nogal groen,’ stamelt hij

‘Rondo, dit is mijn vriendin. Pas maar op, want ze is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken.’

‘Het spijt me, Quana. Ik bedoelde er niets verkeerds mee.’

‘Al goed, jongeman. Op dit moment voel ik mij toch niet sterk genoeg om je een lesje te leren,’ glimlacht Quana, en vraagt dan:

‘Hee; wie zijn dat?’

‘Aya en Danor, twee nieuwe vrienden. Zij horen samen met Rondo bij ons groepje.’

‘Wat zijn zij ook espers.’

‘Ja, Quana. Maar ze moeten nog veel leren. Alleen Rondo heeft al een beetje espertraining gekregen.’

‘Rondo, ik denk dat je beter naar Tena kunt op zoek gaan. De slavenhandelaars zijn al verder getrokken. Op dit moment zullen ze wel een kamp voor de nacht opgeslagen hebben.’

‘Dat denk ik ook, Jakira. Maar zonder dat ik weet waar ik moet zoeken, kan ik ook niet veel uithalen.’

‘Rondo. Je bent toch telepaat, peil de omgeving en zoek haar. Ze heeft misschien je hulp nodig.’

‘Daar had ik moet aan denken, maar ik moet het eerst nog gewoon worden. Ik zal het even proberen.’

“Niet proberen, Rondo. Doe het.’

“In orde, niet kwaad worden. Maar ik vraag me wel af hoe ze zal reageren,’ lacht hij.

‘Ik ken haar ook maar van haar gedachten, Rondo. Maar jullie hebben elkaar al verschillende malen ontmoet, in vorige levens. Hoe jullie in dit leven met elkaar zullen omgaan, dat weet ik ook niet. Dat is iets tussen jullie beiden.’

Quana heeft intussen van Aya iets te eten gekregen. Aan de zijde van het jongere meisje loopt ze in de richting van Danor toe, die haar nieuwsgierig aankijkt.

‘Laat ons naar huis terugkeren, het wordt langzaam tijd om te gaan slapen,’ merkt Danor op, die tegen een rotsblok aanleunt.

Aya kijkt hem aan en loopt op de jongeman toe. Danor legt zijn arm om de schouders van het meisje. Ze kijkt hem in de ogen en kust hem. Jakira kijkt hen even aan en glimlacht. Dan knipoogt ze naar Quana en zegt:

‘Die twee zijn pas getrouwd.’

‘Ha zo. Hebben zij even geluk. Ik kan er geen vinden.’

‘Geen? Wat vinden.’

‘Een man die me bevalt, Jakira.’

‘En Dargo.’

‘Een goede vriend uit mijn dorp. Maar meer ook niet.’

‘In orde. Laat ons gaan. He, tortelduifjes. Komen jullie ook,’ zegt Jakira

‘Ik blijf nog even. Jakira. Alleen lukt het mij misschien om Tena te vinden.’

Jakira knikt en wijst naar het noordwesten. Waarna hij haar ziet glimlachen.

‘Veel geluk. Je hoort nu bij ons heb ik gemerkt.’ hoort hij haar telepathische stem.

Terwijl de anderen naar het dorp gaan, gaat hij aan de rand van de rivier zitten, met zijn gezicht in de richting die Jakira aanwees. Dan concentreert hij zich, steeds dieper. Met zijn telepathische krachten onderzoekt hij zijn omgeving. Eerst gaat het moeizaam, maar langzaam maar zeker krijgt hij meer vertrouwen en plots ontdekt hij in het noordwesten iets. Uit die richting ontvangt hij gedachten van woeste krijgers op, dan van enkele vrouwen. Dat lijkt zijn hart stil te staan als hij de gedachten van een krijgster herkent, maar ze zit vast gebonden bij de andere vrouwen. Toch lijkt ze voorlopig nog niet in gevaar.

Langzaam staat hij op en kijkt even rond. Dan glimlacht hij.

Rechts van hem ligt een rots, die hij met zijn handen niet kan opheffen. Rondo herinnert de woorden van Anya:

‘Oefenen en nog eens oefenen. Concentreer je steeds dieper. Als het de eerste maal niet lukt, dan de volgende keer misschien wel.’

Hij doet een paar stappen achteruit en richt zijn blik op de rots. Na enkele minuten begint deze plots te trillen en langzaam verheft hij zich omhoog. Maar plots valt hij met een klap op de grond. Toch is Rondo tevreden. Even denkt hij aan Jakira en scant zoekend de omgeving. Al snel heeft hij haar gevonden en denkt:

‘Jakira, ik weet waar ze is. Tot over een paar dagen. Misschien zien we elkaar dan wel terug.’

Rondo, ga naar de stad Jorgank. Wij vertrekken met ons vieren morgen. Daar zullen we elkaar wel ontmoeten. En nog meer oefenen. Dan lukt die truc met de steen wel,’ antwoordt Jakira telepathisch.

Heb je mijn poging gevolgd,’ denkt hij terug

‘Zeker. Neem niet teveel risico’s, het zijn gevaarlijke lui,’ hoort hij nog en antwoordt nog snel.

Anya heeft me enkele leuke wapens gegeven. Ik red me wel.’

Pas op, Rondo. Vertrouw niet altijd op uw wapens. De geest is altijd veel machtiger. De vijand die we bestrijden, kan misschien ook dezelfde krachten gebruiken als wij. Vergeet het niet.’

Dank je, ik zal er aan denken. Jakira. Ik zie je later wel,’ denkt hij en verbreekt dan het contact.

Rondo trekt dan zijn schouders recht en zoekt opnieuw naar de gedachten van de krijgster. Al snel heeft hij haar gevonden en haast zich langs de rivier naar haar toe.

Gelukkig is er nog een beetje maanlicht,’ denkt hij, terwijl hij tussen de struiken doorloopt.

Rondo volgt de rivier tot vroeg hij in de morgen het kamp nadert. Terwijl de zon aan het opkomen is, kijkt hij spiedend kijkt hij rond. Met zijn zwakke telepathische krachten weet hij al snel waar de meeste wachters staan. Er zijn ook enkele mannen onder de gevangenen, die aan elkaar gebonden zijn. Dan merkt hij tussen de vrouwen een jonge vrouw met lange roodblonde haren op.

‘Ik moet snel zijn. Als de zon volledig opkomt, is het te laat,’ denkt hij.

Langzaam sluipt hij naar het kamp toe en nadert de vrouwen langs achter. Snel maakt hij hen los en even kijkt even in de ogen van de mooie roodblonde.

‘Wauw!”; fluistert hij dan en kan met moeite zijn blik van haar groene ogen afwenden.

Dan kruipt hij naar de mannen toe, om hen ook te bevrijden. Maar een wachter ontdekt hem en slaat alarm. Rondo trekt zijn zwaard en is sneller dan de krijger. Zijn zwaard dood de man dadelijk. Het roodblonde meisje bemachtigd snel het zwaard van de dode en blijkt een geoefende zwaardvechter te zijn. De krijgers worden in een hevig gevecht gewikkeld. Geen van de slavendrijvers merkt dat enkele bevrijdde vrouwen de mannen los maken en met hen tussen de bomen verdwijnen.

Rondo en de vrouw staan met hun rug tegen elkaar en weren de aanvallen van de krijgers af.

‘Ik ben Tena. Ik zou graag uw naam weten voor we ons op onze laatste reis begeven,’ zegt de jonge vrouw.

‘Rondo,’ fluistert onze vriend en wijst naar zijn borst, ‘maar dit is niet ons laatste gevecht, wel van die daar.’

De krijgers stoppen even verbaasd met hun aanvallen en barsten in lachen uit.

‘Maat. Jij hebt de verhoudingen nog niet goed bekeken. Wij zijn met meer dan twintig krijgers en jullie met twee, over enkele minuten lig jij morsdood voor onze voeten en je vriendin verkopen we als slavin, zoals we al van plan waren.’

Rondo steekt snel zijn zwaard in de schede.

De krijgers kijken hem stomverbaasd aan, grijnzen:

‘Ha ha, denk jij ons zonder zwaard te kunnen doden of wil jij sneller sterven dan je vriendin.’

‘Nee, krijger. Ik wil niet sneller dood, maar ik heb een beter wapen in mijn bezit. Bereid jullie maar voor om uw god te ontmoeten, als jullie er een hebben,’ grijnst Rondo en draait zich om, grijpt Tena bij haar heupen vast.

Verbaasd kijkt ze hem aan.

‘He, wat doe je?’

‘Grijp je vast aan een tak of zo, snel. En laat hem niet los’ sist hij en werpt haar dan omhoog.

‘Hee,’ roept ze uit, maar slaagt er toch in om een tak te grijpen.

Verbaasd kijken de krijgers naar Rondo, die op dat moment zijn handen tegen zijn zijde drukt. Een twintigtal vlijmscherpe projectielen schieten naar krijgers toe. Kreten van pijn weerklinken. De overgebleven krijgers kijken verbaasd naar hun zes dode en negen gewonde maten.

‘We zullen hen wreken. Val aan,’ roept de leider, terwijl Tena terug op de grond springt en snel haar zwaard opraapt.

Woedend storten de acht krijgers zich op Tena en Rondo. Tena weert een slag van een krijger af, maar moet achteruit wijken onder de harde slagen van een andere krijger. Dan maakt een tegenstander van het meisje een fout en voelt het staal van Tena’s zwaard in zijn borst dringen. Rondo heeft juist de tweede tegenstander uitgeschakeld, maar werd ook aan zijn linker schouder geraakt.

De leider grijnst als hij Rondo tot tegen een boom achteruit drijft. Terwijl zijn tegenstander lacht, kijkt Rondo even naar Tena. Haar drie tegenstanders hebben haar in het nauw gedreven, maar ze houdt nog stand.

‘Bereidt je voor op de dood,’ sist de leider, maar kijkt verbaasd naar Rondo, als deze zijn zwaard neerwerpt.

Voor hij van zijn verbazing bekomen is, is het te laat. Opnieuw drukte Rondo zijn handen tegen zijn zijde en de leider krijgt de volle lading van de projectielen te verwerken. Hij is op slag dood. De laatste tegenstander van Rondo is er ook niet veel beter aan toe en doet wankelende stappen achteruit, terwijl hij zijn zwaard laat vallen. Dan zakt hij langzaam tegen een boom in elkaar.

Aan zijn starende ogen merkt Rondo dat hij ook dood is. De dood van hun maten heeft de drie tegenstanders van Tena geschokt en zij werpen ten teken van overgave hun wapens neer. Als Tena haar eigen zwaard weer in haar riem wegsteekt, springt een van hen plots op haar toe. Het meisje is echter sneller en bukt zich onder zijn arm door.

Als ze merkt dat hij een mes in zijn hand heeft, beseft ze dat deze niet van ophouden wil weten. Even werd ze een blik op de twee anderen; maar deze hebben het opgegeven en lopen op de gewonden toe. Van deze kans maakt de tegenstander van Tena gebruik en stort zich op haar. Als hij toesteekt, past ze echter een vreemde beweging toe. Hierdoor breekt ze zijn elleboog en zijn onderarm, die het mes nog steeds vasthoudt, suist op hem toe. Terwijl zijn arm krachteloos naast zijn lichaam neervalt, staart hij naar het mes dat in zijn borst steekt. Dan valt hij voorover en is dood voor hij de grond raakt.

Tena kijkt nog even naar hem en trekt dan haar schouders op:

‘Het spijt me, maar het was jij of ik.’

Dan draait ze zich om en hoort Rondo juist zeggen:

‘Ik schenk jullie leven, maar waagt het niet meer om een van ons beiden nog te overvallen. De volgende maal komen jullie er niet zo goed meer vanaf.’

Tena doet een stap naar Rondo toe, maar voelt zich plots zwak en wankelt tot tegen een boom.

Rondo schrikt en haast zich naar haar toe. Hij ondersteunt haar, terwijl ze zich van de plaats van het gevecht verwijderen.

‘Verzorg jullie gewonde maten en maak jullie dan uit de voeten,’ zegt Rondo nog voor hij aan de rand van de rivier verdwijnt.

Een tiental meter verder, neemt Rondo, Tena in zijn armen en draagt haar verder. Een paar minuten later laat haar op de grond zakken en zucht opgelucht als hij haar wonden onderzoekt. Een zwaard is doorheen haar bovenbeen gegaan, maar heeft niets gebroken. Een tweede wonde heeft haar rechterzijde, juist onder de ribben geschampt en bloed lichtjes. Snel grijpt hij een flesje uit zijn riem en giet een beetje op de wonde aan haar been.

Tena slaakt een kreet als de waterachtige stof, die Anya hem leerde maken, in de wonde brand. Het product heeft genezende kracht en het bloeden stop al snel. Tena voelt de pijn afnemen en gaat rechtop zitten. Dan trekt ze haar bovenkleed opzij en glimlacht even als ze Rondo naar haar ziet staren.

‘Zeg, krijger. Je kunt beter een beetje van dat flesje op mijn wonde strijken en dan maken dat we hier verdwijnen,’ zegt ze dan.

Rondo neemt een klein vodje uit zijn riemtas en giet dan een beetje erop. Dan drukt hij het vodje tegen haar tweede wonde. Tena perst haar lippen op elkaar om, maar toch kreunt ze lichtjes van de pijn. Als Rondo zijn hand weer weggenomen heeft, voelt ze de genezende kracht zijn werk doen en trekt haar kleding weer op zijn plaats.

Even kijkt de jonge krijgster de krijger aan en zegt, terwijl ze rechtstaat:

‘Rondo, geeft mij dat flesje en dat vodje ook maar. Jij bent ook gewond.’

Aarzelend geeft hij het flesje en Tena giet een beetje op het vodje in haar rechterhand. Ze kijkt hem in de ogen als ze het tegen zijn wonde drukt. Even ziet zij zijn gezicht vertrekken, maar er komt geen geluid over zijn lippen.

Voor ze beseft wat er gebeurd voelt ze plots zijn lippen op de hare. Even wil ze zich terug trekken, maar dan beantwoordt ze zijn kus. Na een tijdje laten ze elkaar los. Nog even kijken ze naar elkaar. Dan loopt Rondo naar elke paarden van de slavendrijvers toe en kiest de twee beste eruit. Op een van de twee stijgt hij op en rijdt dan op Tena toe, terwijl hij een tweede paard voor haar met zich meetrekt. De krijgster kijkt naar hem op. Ze neemt de teugels van het paard van hem over en volgt zijn voorbeeld.

‘Volg me,’ zegt Rondo.

Tena kijkt hem nog steeds verward aan. Wat bezielde haar, toen ze de kus van deze krijger beantwoordde. Ze kent hem nauwelijks.

‘Wat?’ vraagt ze.

‘We moeten verder. Ik moet Jakira in Jorgank ontmoeten.’

‘Jakira… Wie… Naar Jorgank,’ stamelt Tena en wendt haar paard.

Ze volgt de jongeman stroomopwaarts stilzwijgend. De jonge vrouw kijkt een paar maal naar hem, maar ze voelt rot. Haar gedachten zijn helemaal in de war. Waarom volgt ze hem toch. En wie is die Jakira. Ze weet het niet, maar toch volgt ze hem steeds verder.

‘Zou die Jakira zijn vrouw zijn,’ schrikt ze plots in gedachten.

‘Geen gekke gedachte, Tena. Maar je zit er volledig naast,’ hoort ze plots een vreemde stem.

Ze schrikt hevig en kijkt om zich heen, maar ziet niemand, behalve Rondo.

‘Ik ben het, Roodkopje. Jakira. Je ziet me nog niet, maar over enige tijd zal ik je begroeten.’

Verward schudt ze haar hoofd en kijkt naar Rondo, die een paar passen verder bleef staan en naar haar kijkt.

‘Wie is die vrouw waar over je sprak?’

‘Bedoel je Jakira. Dat is een mooie blondine, die ik nog maar een paar dagen geleden ontmoet heb. Maar ze is een zeer goede vriendin geworden.’

Tena slikt even. Rondo merkt het en glimlacht even.

‘Over een paar dagen voegen wij ons bij haar en onze andere vrienden.’

‘Ik niet, Rondo. Het lijkt me beter dat ik mijn eigen weg volg.’

Verbaasd kijkt Rondo haar aan.

‘Zoals je wil, Tena. Ga maar, ik volg je wel.’

Tena draait zich om en loopt naar rechts. Maar plots blijft ze staan en kijkt naar de jongeman.

‘Wat zeg je?’

‘Dat ik je wel volg.’

‘Waarom?’

‘Waarom? Vraag je, lieve Tena. Ik hou van jou van het eerste moment dat ik je zag, al besefte ik het toen nog niet. Dank zij Jakira heb ik je gevonden.’

‘En die Jakira dan.’

‘Zij is een vriendin van mij, Aya en Danor. Zoals ze ook een vriendin van jou zal worden, hoop ik.’

Tena verstijft, want het duurt even voor ze beseft wat hij bedoelt. Dan kijkt ze aarzelend in zijn ogen, want hij staat nu vlak voor haar en grijpt haar beide schouders vast.

‘Laten we onze weg verderzetten, Rondo. Ik volg je.’

Even wil de jongeman haar kussen, maar doet het dan toch maar niet. Als hij haar loslaat voelt ze even een lichte teleurstelling, maar ze volgt hem.

Tot ze een uur later plots halt houden.

Intussen is in het dorp van Aya het feest nog steeds in volle gang. Jakira en Quana besluiten om terug te keren naar de anderen. Aya en Danor nemen afscheid van hun ouders en stijgen op hun paard. Aan de toegangspoort wachten Jakira en Quana hen op.

‘Veel geluk, Aya. Hopelijk zien we elkaar nog eens terug,’ zegt haar vader.

‘Dat is zeker,’ lacht het witharig meisje en geeft haar moeder nog een hand.

‘Zorg goed voor beiden, Jakira,’ zegt Aya’s moeder.

‘Ik zal mijn best doen, als ze willen meewerken,’ zegt Jakira en volgt Quana’s voorbeeld.

Van op haar paard kijkt ze naar Aya en Danor, die elkaar even kussen. Dan doet ze haar paard keren en rijdt weg gevolgd door Quana. Aya en Danor laten elkaar los en wuiven naar hun ouders. Langzaam wenden ze hun paarden en volgen beiden anderen. Hun ouders kijken hen zolang mogelijk na en keren dan weer naar het dorp. Maar ze de stemming om verder te feesten is er niet meer.

Drie vrouwen en een man rijden stroomopwaarts. Ze rijden op een honderdtal meter voorbij dan de plaats waar Rondo en Tena zich bevinden. Aan een brug over de rivier houden ze halt. Aya en Danor verlaten Jakira en Quana en rijden er over. Langs de andere zijde van de rivier wuiven ze nog even en rijden dan naar het westen in de richting van Jorgank. Jakira en Quana willen naar de plaats, waar ze tegen de Oekas vochten en verloren.

Nadat de pasgetrouwden uit het zicht verdwenen zijn rijden beide vrouwen verder tot hun paarden onrustig worden, toch rijden ze verder tot Quana plots haar paard inhoudt. Aan de rand van de rivier zien ze een lijk van een jonge vrouw liggen. Snel springt snel van haar paard en knielt naast de dode.

‘Het is Dihona, zij zat bij ons in de cel,’ zegt de roodharige, terwijl ze het lijk verder op de kant sleep.

Jakira onderzoek de dode.

‘Zij is door scherp voorwerp in haar rug gestoken.’

‘Haar moordenaars zullen hun straf niet ontlopen. Ik zal ze wel vinden en dan.,’ sist Quana.

‘Dat is voor later. Ik vraag me af waarom ze haar niet gekloond hebben,’ onderbreekt Jakira haar.

‘Gekloond. Misschien toch wel’

‘Nee, Quana. Voor zover ik uit hun gedachten kon opmaken, nemen de Oekas hun plaats in, maar de mensen worden levend in een soort cocon opgeborgen. Ze hebben het originele lichaam nodig om hun vorm te kunnen behouden,’ legt Jakira uit en buigt zich over de Dihona.

Met de hulp van Quana draagt ze hun dode lotgenoot tot tussen de bomen en leggen een aantal stenen over het lichaam. Even staan ze nadenkend naar het graf te kijken en stijgen dan op hun paarden.

Een uur later bereiken ze hun doel, maar er is niets meer te zien.

‘Ze zijn weg, Jakira.’

‘Zo te zien heb je gelijk.’

‘Waar zouden ze heen zijn?’ vraagt Quana.

‘Vermoedelijk terug in hun schuilplaats. Ik denk dat ze hier alleen komen als er een jachtpartij georganiseerd wordt,’ oordeelt Jakira.

‘Wat nu?’

‘We kunnen het beste onze vrienden gaan zoeken. Ik wil Sinaron wel eens terugzien.’

‘Je liefje.’

‘Ja. Kom we gaan verder. Een paar kilometer verder is een brug,’ glimlacht Jakira.

Ze stijgen alle twee terug op hun paard en rijden verder, stroomafwaarts, langs de rivier naar de brug.

Gedurende een week verblijven Sinaron en zijn vrienden in het dorp in de hoop dat de meisjes naar hier zouden terugkeren. Maar ze komen niet.

‘Het wordt tijd dat we in actie treden, jongens. Misschien hebben ze onze hulp nodig,’ oordeelt Sinaron.

Hij komt juist terug van een verkenningstocht in het dorp, maar hij voelt zich rusteloos. Ze zijn al veel te lang weg.

‘Je hebt gelijk. We hebben hier al veel te lang zitten wachten. .’

‘Wacht even, Dargo. Ik blijf hier, in geval ze toch nog terugkeren.’

‘Goed, Iljane. Maar let goed op,’ zegt Dargo en gaat als eerste naar buiten.

Janoro knikt even naar Iljane en stap dan na Sinaron naar buiten.

‘Weet Anya niet waar ze zijn,’ vraagt hij.

‘Daar heb ik ook al aan gedacht, maar ik kan geen contact krijgen. Mijn zender laat even het beeld van Anya zien, maar dan verdwijnt het weer,’ antwoordt Sinaron.

‘Misschien is Anya gaan slapen.’

‘Gaan slapen, Janoro. Anya bestaat niet echt, Ik denk niet dat hij dat nodig heeft.’

‘Jongens, het wordt al laat. Als we niet snel verder gaan, dan is het te donker om nog sporen te vinden,’ merkt Dargo op, die zich naar hen omdraait.

‘Wie zegt dat we naar sporen gaan zoeken. Als we ver genoeg van het dorp zijn, kunnen we telepathisch de omgeving scannen, tot we contact met hen hebben.’

‘Een goed idee, Janoro. Maar ik heb maar een zwakke telepathische gave. Maar het is te hopen dat jullie hen vinden. Misschien hebben ze hulp nodig. Maar eerst wil ik nog maar eens proberen om’ zegt Sinaron en drukt op een knopje van zijn armband.

Even licht de gedaante van een verkleinde Anya op boven de armband. Maar dan verdwijnt de driedimensionale weergave.

‘Wat was dat, Sinaron?’ vraagt Janoro.

Terwijl Sinaron nog eens probeert contact te krijgen, antwoordt Dargo:

‘De zender die Sinaron van de tempelmeesteres kreeg, lijkt het niet te doen.’

‘Wat….’

Sinaron trekt zijn schouders op en geeft zijn poging op, terwijl naar de donkere stormwolken kijkt.

‘Het lukt niet, vrienden. Er zijn teveel storingen. We zullen hen op eigen houtje moeten zoeken,’ zegt hij.

‘Maar waar moeten we beginnen. Het laatste contact dat ik met Jakira had was aan de rivier in het oosten. Maar dat was heel zwak.’

‘Dan kunnen we het best naar die rivier gaan. En van daaruit beginnen zoeken.’

‘Goed idee, Janoro. Maar we moeten ons haasten, denk ik. Ik heb zo’n vreemd gevoel,’ stemt Sinaron in.

Onze drie vrienden gaan op weg en bereiken een paar uur later de rand van het bos, waar de jacht begon. Voorzichtig en op hun hoede rijden ze verder in de richting van de rivier. Geen van hen merkt dat de vuurrode ogen van een zwarte gedaante hun gadeslaat. Zelfs telepathisch merken ze hem niet op. Maar een uurtje bereiken ze de rivier en al snel vinden ze ook de plaats waar de opgejaagden uitgeschakeld of gekloond werden. Ze vinden sporen van een gevecht, maar geen enkel spoor van Jakira of Quana. Ze merken echter niet op dat ze gevolgd worden door een donkere schaduw .

‘Als we ons nu eens verspreiden, dan kunnen we een groter gebied scannen,’ merkt Janoro op.

‘Ja. Misschien. Ja, je hebt gelijk. Ga jij naar rechts, ik neem de linkerkant wel. Een vijftigtal meter zal wel genoeg zijn,’ zegt Dargo nadenkend

‘Ik blijf wel hier alleen aan de rivier en ik heb zo’n schrik in het donker,’ lacht Sinaron.

‘Denk dan maar aan mij, Mijn zwaardje zal je dan wel komen redden,’ grijnst Janoro.

Terwijl Dargo zich lachend omdraait, blijft Sinaron alleen achter. Hij gaat nadenkend aan de kant van de rivier op een boomstronk zitten. Janoro verdwijnt stroomopwaarts tussen de bomen, maar moet zijn paard achterlaten. Dargo rijdt intussen door het ondiepe water naar de overzijde en volgt de rivier stroomafwaarts. Na een paar minuten bereikt hij een klein open plekje.

Dat ziet er niet slecht uit,’ denkt hij en stijgt van zijn paard.

Langzaam gaat hij in het gras zitten en concentreert zich. Zijn telepathische krachten dringen doorheen de omgeving en ontmoeten die van Sinaron even; Bijna op hetzelfde ogenblik wordt het contact verbroken. Dargo probeert opnieuw contact te krijgen, maar het lukt niet meer.

‘Wat nu. Hij zal zich afgeschermd hebben. Ook goed. Dan ga ik maar verder zoeken in de andere richting.’

Al snel heeft hij in zekere zin succes. Hij vangt de gedachten op van een man en een vrouw. Ze noemen zich Tena en Rondo. De jongeman lijkt Jakira ontmoet te hebben. Verbaasd stelt Dargo vast dat zij ook op weg zijn naar Jorgank. Uit zijn gedachten kan hij opmaken, dat Jakira met Quana en nog twee anderen, die hij niet kent, naar hetzelfde doel onderweg zijn. Opgelucht verbreekt hij het contact en staat op. Nadenkend gaat hij naar zijn paard en stijgt op.

‘Nu de anderen op de hoogte brengen en dan naar Jorgank. Het lijkt wel alsof iedereen daarheen op weg is,’ glimlacht hij.

Als hij een paar minuten later de rivier weer nadert, houdt hij plots zijn paard in. Hij heeft een berg stenen opgemerkt, tussen de bomen. Naast de berg stopt hij zijn paard en kijkt naar beneden.

Dat is een graf,’ denkt Dargo en kijkt naar een platte steen die in het midden op het graf ligt.

‘Hier ligt Dihona, een goede vriendin. Quana, Jakira,’ leest hij.

Intussen bereikt Janoro een beekje, dat uit de rivier het landt invloeit. Even kijkt hij in het water. Plots schrikt hij, zijn telepathische krachten vangen iets zeer vreemd op. Snel draait hij zich en trekt bliksemsnel zijn zwaard. Tussen de bomen komt een zwarte schaduw op hem toe.

Wat is dat?’ schrikt hij.

Even lijkt het alsof hij een gezicht herkent, maar dan is de zwarte gedaante bij hem. Een gedempte kreet klinkt door het bos. Als de stilte terugkeert, is er geen enkel geluid meer te horen.

Rondo en Tena hebben intussen de richting van de burcht ingeslagen. Maar ze merken ook dat het stilaan donkerder wordt. Plots verschijnt Anya voor hen op de weg.

‘Rondo en Tena. Jakira vroeg me om jullie allebei te controleren en de test zijn positief. Vanaf dit moment zijn jullie allebei lid van de eerste groep geselecteerden,’ zegt hij en richt zijn rechterhand op hen.

Een groene energiestraal schiet op hen toe, maar ze voelen alleen een lichte kriebeling aan hun rechterbovenarm. Zij zijn nu ook drager van het groene teken.

Plots lijkt Anya te verstarren. Zijn stem lijkt te trillen, terwijl hij zegt:

‘Zoek een veilige schuilplaats en snel. Er is een zeer zware storm op komst. De zwaarste tot nu toe. Twee kilometer naar het noorden zijn er diepe grotten. Daar kunnen jullie schuilen. Haast jullie!’

Dan verdwijnt Anya en materialiseert nabij Jakira en Quana, die verrast hun paard doen halt houden.

‘Zoek snel beschutting. Er nadert een heel zware storm,’ roept hij hen toe, met krakende stem.

‘We hadden het al gemerkt, Anya’ roept Quana terug, terwijl Jakira met haar gedachten de omgeving scant.

Plots merkt ze die van Rondo en Tena op en neemt contact met de jongeman op.

‘Rondo, jullie kunnen het dorp niet meer op tijd bereiken. Ga naar het zuidoosten daar zijn een aantal grotten. Wij zijn ook naar daar onderweg. Wij zijn er over een half uur. Jullie doen er vermoedelijk meer dan een uur over. Een van ons zal jullie om de vijf minuten en telepathisch peilsignaal sturen.’

‘Bericht begrepen. Anya heeft ons al op die grotten attent gemaakt. Wij ontmoeten jullie daar.’ antwoordt Rondo.

‘Anya, weet Sinaron het al,’ vraagt ze dan.

‘Nee. Ze zijn in de omgeving van de rivier. Ik zal hen dadelijk op de hoogte brengen.’

Dan verdwijnt hij.

‘Kom, Quana. We moeten naar de grotten, voor het te donker wordt.’

Beide meisjes geven hun paarden de sporen.

Ongeveer een half uur later bereiken ze hun doel, springen in de gietende regen van hun paarden en leiden hen de grot binnen. Daar neemt Jakira opnieuw contact op met Rondo.

‘Hoever zijn jullie?’

‘Moeilijk te zeggen. Het is heel donker en het regent zo hard dat we bijna niets meer zien.’ antwoordt Rondo telepathisch.

‘Blijf daar staan. Ik kom jullie allebei wel halen.’

‘Hoe.’ vraagt Tena nog.

Maar Jakira is al weg en materialiseert enkele seconden later op een paar meter van haar beide vrienden. Ze wankelt even.

‘Oef, dat was een ruwe sprong. Rondo, geef me snel een hand.’

Verbaasd doet Rondo wat ze vraagt en plots verdwijnt de omgeving voor zijn ogen. En even later ziet hij de binnenkant van de grot voor zich. Maar hij voelt zich niet zo best.

Quana merkt dat Jakira ook niet in orde is en roept:

‘Jakira, wat is er gaande? Je kunt toch zo niet..’

Maar de blonde vrouw heeft haar niet gehoord. Ze is dadelijk weer verdwenen. Tena schrikt als ze Jakira ziet verschijnen.

‘Wat zie jij eruit. Is het zo erg?’ vraagt ze.

Jakira strompelt naar haar toe en fluistert:

‘Tena, berij.dt je voo.r op een vl.ucht door de hel.’

Dan neemt ze de hand van de roodblonde vrouw vast en beiden lossen een paar seconden later op in het niets. Alleen duurt het iets langer, dan de vorige keer met Rondo.

Als ze in de grot een paar minuten later materialiseren, lijken ze om zich heen te kijken. Quana en Rondo beseffen dadelijk dat er iets mis is. Toch reageren ze te laat, als beiden langzaam wankelend steun proberen te zoeken. Tena vindt steun tegen de wand van het hol, maar glijdt langzaam naar de grond toe. Rondo, die intussen iets beter is, grijpt haar echter tijdig vast en ondersteunt haar. Jakira is echter voorover gevallen en ligt op de vloer van de grot. Quana knielt naast haar hevig zwetende vriendin.

Plaats een reactie